De knoppen van de ‘eigen bijdrage’ en andere kosten. Categoriaal en individueel maatwerk mogelijk?

Appel en peer_ 3Appels met peren vergelijken?
Er is altijd wat te doen over kosten die verschuldigd zijn als gebruik wordt gemaakt van ‘voorzieningen’ die door de overheid worden geboden (rijk en/of gemeente). Daarmee bedoel ik nadrukkelijk die ondersteuning of zorg waarop burgers zijn aangewezen (lees ook: niet zonder kan). De zogeheten ‘eigen bijdragen’ staan in de politieke schijnwerpers. Hoe komt dat? Wordt de regelgeving niet goed toegepast? Zijn daarin niet de juiste keuzes gemaakt? Wordt binnen de kaders die de regelgeving biedt niet of onvoldoende ‘maatwerk’ geleverd? Of is het allemaal zo ingewikkeld dat het niet meer te snappen is? Daarmee bedoel ik niet alleen voor burgers maar ook voor gemeenten en het Rijk die nota bene de wetgeving maakt.

Korte leeswijzer
Dit blog gaat over de inhoud van de wettelijke mogelijkheden om burgers financieel te ondersteunen. Als achtergrondinformatie maak ik de geïnteresseerde lezer attent op andere blogs in de serie Meerkosten chronisch zieken. Tot slot in het kort iets over de eigen bijdrage uit ons zorgstelsel en ik sluit af met het antwoord op de vraag of categoriaal en individueel maatwerk überhaupt mogelijk is. En zo ja, op welke manier. De onderwerpen uit dit blog komen uitgebreid aan bod tijdens de Masterclass Bijzondere bijstand, individuele toeslagen en minimabeleid op 29 maart in Utrecht.

Waar hebben we het over
Uit mijn praktijk blijkt dat het antwoord op bovenstaande vragen allemaal in meer of mindere mate kort kan zijn: ja! In de berichtgeving valt mij iets op. Namelijk dat bij de wettelijke mogelijkheden om maatwerk te leveren vaak appels met peren worden vergeleken. Allebei vallen ze in de categorie fruit, maar er zijn verschillen alleen al in de vorm en smaak. Berichtgeving over de systematiek (in brede zin) komt niet altijd goed over het voetlicht. Ik ga er van uit dat dit (ook) komt omdat het best ingewikkeld is. Eerst nog even iets over de aanleiding.

Aanleiding
Eigenlijk zijn er verschillende aanleidingen die samen komen en uiteindelijk tot heel veel vragen en discussies in de Kamer hebben geleid. Hieronder staan de belangrijkste op een rijtje.

Einde 33% korting
De hervorming van de langdurige zorg doet veel stof opwaaien. Dat kan ook niet anders met zo’n megaoperatie. Daar draagt de Afschaffing financiële regelingen voor chronisch zieken en gehandicapten ook een steen(tje) aan bij (Stb. 2014, 259). De laatste stuiptrekking van die regeling was de 33% korting op de eigen bijdrage Wmo en Awbz. Die stopte per 1 januari 2015. Daar gaf het CAK meerdere malen keurig een ‘winstwaarschuwing’ voor af.

8% sparen en beleggen telt mee
Maar er speelde meer. Namelijk de werking van de Invoering van een vermogensinkomensbijtelling in de AWBZ en de Wmo (Stb. 2012, 547)1. Dat kon pas feitelijk beginnen per 2015 omdat het CAK voor de berekening van dat bijdrageplichtig inkomen peiljaar 2013 hanteert (t-2). Daar was onlangs een uitspraak over. Volgens de Raad is de vaststelling van de eigen bijdrage op grond van de AWBZ en het Bbz proportioneel en kan niet gezegd worden dat deze in dit geval tot een “individual and excessive burden” leidt. Van schending van artikel 1 van het EP is derhalve geen sprake (CRVB:2016:83).

Geen maximaal uurtarief meer
Of dat nog niet genoeg was kwam in de loop van 2015, maar in ieder geval vanaf 2016 nog de laatste ‘maatregel’ voorbij: einde overgangsrecht. Dat treft degene die een extramurale AWBZ-indicatie had voor bijvoorbeeld begeleiding (individueel of groep) en welke op grond van de Wmo 2015 (deels) is overgenomen. In het Bijdragebesluit zorg (Bbz) was de eigen bijdrage gemaximeerd op een uurtarief van € 14,20 (of voor een dagdeel van 4 uur). Een dergelijk maximum kent het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 niet. Al met al kan dit dus flink ‘in de papieren lopen’.

Stapelfacturen van het CAK
Niet iedereen krijgt zijn rekening op tijd. Dat is vervelend want zo worden burgers geconfronteerd met een hoge factuur in een keer. Hoe komt deze vertraging? Dat kan twee redenen hebben. Het CAK heeft in het algemeen een achterstand of de noodzakelijke gegevens worden niet of niet tijdig bij de CAK aangeleverd. Ik denk dat het voornamelijk om het laatste gaat (Brief Tweede Kamer d.d. 1 februari 2016).

Afzien van zorg en/of ondersteuning
Uit onderzoek van Ieder(in) blijkt dat een kwart van de zorgvragers afziet van zorg door de hoge kosten. Ook onderzoek van Binnenlands Bestuur laat die trend zien. In dat onderzoek kwam de voorlichtingsplicht van gemeenten naar voren over de hoogte van de verschuldigde bijdrage in de kosten als gebruik wordt gemaakt van algemene voorzieningen of als een maatwerkvoorziening (natura) of een persoonsgebonden budget wordt verstrekt (art. 2.3.2 lid 4 onder g Wmo 2015). De VNG merkt hierover in een nieuwsbericht terecht, het volgende op. Gemeenten mogen feitelijk niet de hoogte van de bijdrage voor maatwerkvoorzieningen dan wel een persoonsgebonden budget berekenen, dat is voorbehouden aan het CAK (art. 2.1.4 lid 6 Wmo 2015). Laten we dat ook vooral zo houden.

Aanvulling 22 februari, met dank aan een kritische lezer
Het college is echter op basis van de letterlijke tekst van art. 2.3.2 lid 4 onder g Wmo 2015 wel verplicht om aan te geven welke hoogte van de bijdrage in de kosten verschuldigd zal zijn. Dat kan een administratieve rompslomp met zich meebrengen. En daarnaast vraagt het om een bepaalde mate van deskundigheid van de medewerker. De vraag is het college kan volstaan de bijdrage uit te rekenen met gebruikmaking van de website van het CAK. Verder spreekt het voor zich dat de cliënt gehouden is om de daarvoor noodzakelijk gegevens te overleggen.

Bevoegdheden gemeentebestuur
Er is op grote schaal gekozen voor decentralisatie van wet- en regelgeving. Gemeenten zijn in algemene zin beter in staat om maatwerk te bieden omdat zij dicht bij hun burgers staan. Een waarheid als een koe, zou ik zeggen. Voor zover dat binnen een verordenende bevoegdheid valt, ligt daar een belangrijke taak voor de gemeenteraad. Die stelt op democratische wijze beleidskeuzes vast en schrijft daarmee de uitvoering van regels voor aan het college. Op zich ook niet nieuw.

Gemeenteraad
Dergelijke bevoegdheden zijn vaak voorgeschreven in de formele wetten. Denk aan de verordening individuele inkomenstoeslag en studietoeslag als bedoeld in respectievelijk art. 8 lid 1 onder b en c Participatiewet. Ook de Wmo 2015 schrijft het vaststellen van een verordening verplicht voor (art. 2.1.3 Wmo 2015). Daarin kunnen ook regels staan over de tegemoetkoming meerkosten (art. 2.1.7 Wmo 2015). Verder biedt art. 108 Gemeentewet een zelfstandige bevoegdheid voor ‘minimabeleid’, mits dat niet in strijd komt met het inkomensbeleid van de Rijksoverheid. De gemeente mag wel stadspassen, of iets dergelijks verstrekken.

College
Daarnaast heeft het college zelfstandige bevoegdheden bij de uitvoering van formele wetten. Zo is het verlenen van individuele bijzondere bijstand als bedoeld in art. 35 lid 1 Participatiewet een gebonden bevoegdheid. Het verlenen van categoriale bijzondere bijstand als bedoeld in het derde lid van dat artikel is een discretionaire bevoegdheid. Ook is het college verplicht om maatwerkvoorzieningen te verstrekken als de client daarop is aangewezen (art. 2.3.1 Wmo 2015).

Gelden er voorrangsregels?
Participatiewet
Gaat het om bestrijding van noodzakelijke kosten van het bestaan, dan komt de Participatiewet met art. 35 van rechts. En rechts heeft voorrang. Wordt voldaan aan de voorwaarden dan moet het college de aanvraag om kosten beoordelen op basis van artikel. Het verlenen van bijzondere bijstand is, zoals gezegd, een gebonden bevoegdheid! Denk bijvoorbeeld aan dieetkosten (CRVB:2014:3221), meerkosten van stoken (CRVB:2006:AW5504), meerkosten van bewassing en kledingslijtage (CRVB:2014:1129) of sommige eigen bijdragen (CRVB:2013:BY9838). Dit zijn doorgaans kosten die chronisch zieken (kunnen) hebben.

Verbod op inkomenspolitiek
Er mag geen doorkruising plaatsvinden van het Rijksbeleid; geen inkomenspolitiek voor gemeenten (TK 2002/03, 28 870, nr. 3, p. 64-65 en TK 2013/14, 33 801, nr. 3, p. 20). Op één na zijn de categoriale mogelijkheden in de bijzondere bijstand per 1 januari 2015 vervallen2. Zie verder hierna. Verder heeft het college niet de bevoegdheid om bijstand te verlenen als art. 15 PW van toepassing is (voorliggende voorziening). Denk bijvoorbeeld aan de eigen bijdrage3 voor een gehoorapparaat, de kosten van geneesmiddelen en de betaling van het verplicht eigen risico als bedoeld in art. 19 Zorgverzekeringswet (respectievelijk CRVB:2012:BV1899, CRVB:2014:4375, CRVB:2013:798 en CRVB:2010:BO6734). Voor burgers, vooral die met een laag inkomen, zijn dit aanzienlijke kostenposten. Dat heeft gevolgen voor hun bestedingspatroon en de mate waarin zij kunnen meedoen aan de samenleving.

Collectieve aanvullende zorgverzekering
Voor ‘minima’4 kan de mogelijkheid open staan om gebruik te maken van de gemeentelijke collectieve aanvullende zorgverzekering5, waarmee bovengenoemde kosten (deels) kunnen worden vergoed. Degene met een te hoog inkomen valt echter buiten de boot. Dit terwijl ook zij meerkosten kunnen hebben die verband houden met hun aandoening. Ook voor hen kan dat gevolgen hebben voor hun bestedingspatroon en de mate waarin zij kunnen participeren.

Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
Gaat het om ondersteuning in de zelfredzaamheid en participatie van de doelgroep,6 dan komt de Wmo 2015 van rechts. Daarbij stel ik me ook op het standpunt dat de Wmo 2015 voor de Participatiewet geldt als passende en toereikende voorliggende voorziening (art. 5 aanhef en onder e juncto art. 15 PW). Meestal levert dit geen problemen op. Op grond van de Wmo 2015 kunnen maatwerkvoorzieningen zoals hulpmiddelen, woningaanpassingen of begeleiding worden toegekend, al dan niet in de vorm van een persoonsgebonden budget. Daarvoor is doorgaans een bijdrage in de kosten verschuldigd7. De bijdrage voor het gebruik van algemene voorzieningen blijft onbesproken.

Tegemoetkoming meerkosten
Voor zover het (andere) kosten betreft is art. 2.1.7 Wmo 2015 van belang. Dat artikel geeft de gemeenteraad de bevoegdheid om regels te stellen voor de verlening van een tegemoetkoming in de meerkosten die verband houden met een beperking, chronisch of psychische of psychosociale problemen. De doelgroep hoeft niet perse gebruik te maken van voorzieningen op grond van de Wmo en betalingen kunnen zonder tussenkomst van de Sociale verzekeringsbank rechtstreeks worden uitbetaald. Zie verder in dit blog.

Bijdrage in de kosten Wmo 2015
De gemeenteraad zal bij verordening moeten vaststellen of gebruikers van een voorzieningen8 een bijdrage in de kosten verschuldigd zijn. Vooralsnog wordt aangenomen dat de aard van bevoegdheid niet verzet tegen delegatie zodat het college in het Besluit nadere regels kan bepalen of, en zo ja in welke gevallen en wat de omvang van de bijdrage in de kosten is (vergelijk CRVB:2010:BO6880 en CRVB:2013:CA0089). Daarbij geldt wel dat het college de regels van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 in acht moet  nemen.

Aan welke knoppen kun je draaien?
De gemeenteraad kan9 de parameters, waarop het CAK de hoogte van de bijdrage in de kosten berekend verlagen (art. 3.8 lid 2 onder a en b Uitvoeringsbesluit Wmo 2015). Nadrukkelijke voorwaarde is wel dat dit voor alle categorieën van personen van het eerste lid in gelijke mate moet gebeuren.

Voorbeeld 1. De gemeenteraad kan bepalen dat de niet-inkomensafhankelijke bijdrage (€ 19,40 of € 27,80) niet verschuldigd is. Dat is een soort van categoriale kwijtschelding. Het CAK zal over deze personen geen gegevens aangeleverd krijgen, er valt niets te berekenen.

Voorbeeld 2. De gemeenteraad kan bepalen dat de personen die niet-inkomensafhankelijke bijdrage (€ 19,40 of € 27,80) verschuldigd zijn, wordt uitgebreid. De gemeenteraad verhoogt de inkomensgrenzen (€ 16.887 of € 28.177). Dus meer personen betalen slechts een lage bijdrage (€ 19,40 of € 27,80).

Voorbeeld 3. De gemeenteraad kan bepalen dat het percentage (15%) wordt verlaagd. Dit is de echte inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten. Hiermee wordt het zogeheten marginale tarief lager vastgesteld.

Bevoegdheid CAK
Hiermee krijgt het CAK, via de verordening Wmo 2015 de bevoegdheid om andere, dan de wettelijke, parameters van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 te hanteren bij het berekenen van de bijdrage.

Bevoegdheid college
Het college heeft de (gebonden) bevoegdheid om voor de vastgestelde eigen bijdrage bijzondere bijstand te verlenen als wordt voldaan aan de voorwaarden (CRVB:2006:AZ1426, CRVB:2013:BZ3215, CRVB:2013:BY9838 en CRVB:2015:3735). Die zullen in het algemeen betrekking hebben op de draagkracht (actueel inkomen en vermogen). Daarbij merk ik op dat veel gemeenten de kostendelersnorm van art. 22a PW niet toepassen op de bijzondere bijstand.

De uitvoeringspraktijk blijkt echter ook wel eens anders te gaan. Die praktijk komt ook terug in Kamerstukken.

Uit de Kamerstukken
Uit een aantal Kamerstukken blijkt wat de regering voor ogen heeft gehad. Daar vallen een aantal dingen op die mijns inziens niet in overeenstemming zijn met de toepasselijke wettelijke kaders.

TK 2013/14, 33 841, nr. 64, p. 27 (wetsvoorstel Wmo 2015, nota nav het verslag)
“Daarnaast bestaat voor gemeenten de mogelijkheid om op grond van de bijzondere bijstand ingezetenen te compenseren voor dergelijke kosten. Binnen de wettelijke grenzen kunnen gemeenten op grond van het door hen gevoerde minimabeleid (een deel van de) eigen bijdragen bij het CAK kwijtschelden.”

TK 2013/14, 34 104, nr. 56 (dossier langdurige zorg, brief Tweede Kamer d.d. 29 april 2015)
“Hierbij kan worden gedacht aan maatregelen binnen de eigen bijdragen (bijvoorbeeld een lagere kostprijs of het toepassen van het minimabeleid van het CAK. Gemeenten kunnen in dat kader een afspraak maken met het CAK dat tot een bepaald inkomen de eigen bijdrage automatisch wordt kwijtgescholden/niet wordt geïnd.), maar ook aan instrumenten zoals het verstrekken van een financiële tegemoetkoming op grond van artikel 2.1.7. van de Wmo 2015 of het aanbieden van een collectieve zorgverzekering.” 

Redactionele noot
In de bovenstaande Kamerstukken staan passages die bij mij veel vragen oproepen. In de onderstaande tekst ga ik nog niet concreet in op de bevoegdheid van het verlenen van tegemoetkoming meerkosten (art. 2.1.7 Wmo 2015).

  1. Als eerste wordt de term minimabeleid gebruikt. Dat is een containerbegrip. Ik ga er van uit dat de regering doelt op de categoriale bijzondere bijstand voor chronisch zieken (art. 35 lid 4 WWB oud). Deze mogelijkheid is echter per 1 januari 2015 vervallen. Een andere bevoegdheid ‘ter bestrijding van aannemelijke kosten’ bestaat slechts op basis van art. 2.1.7 Wmo 2015 (zie verder in dit blog).
  2. Ten tweede vraag ik me af waar het verlenen van (automatische) kwijtschelding op is gebaseerd10. Voor zover dat werkafspraken zijn ontbeert daarvoor een wettelijke grondslag, dat behoeft geen toelichting. Mogelijk is het gestoeld op de hiervoor genoemde en inmiddels vervallen categoriale bijzondere bijstand. Dan blijft het nog vreemd want bijzondere bijstand wordt in principe op aanvraag verleend en niet ambtshalve toegekend (art. 41 PW). Verder geldt de hoofdregel dat het vaststellen van rechten en plichten is voorbehouden aan het publieke domein (vergelijk CRVB:2014:2947). De vraag is of het CAK (als zelfstandig bestuursorgaan) in mandaat mag beslissen op aanvragen om bijzondere bijstand voor de kosten van de eigen bijdrage. Als dat al mogelijk zou zijn, dan moet dat in ieder geval gebeuren binnen de wettelijke kaders van de Participatiewet (zie derde kanttekening en verder). Deze vraag klemt temeer omdat de regering het bieden van maatwerk door gemeenten nadrukkelijk voor ogen heeft (gehad), daar passen ambtshalve categoriale toekenningen (lees: kwijtscheldingen) niet bij. Het gaat in voorkomende gevallen overigens wel om daadwerkelijk voorkomende kosten.
  3. Mijn derde kanttekening springt misschien wel het meest in het oog. Die gaat over de grenzen van de bevoegdheid die het CAK heeft bij de uitvoering, al dan niet verkregen via een mandaat. Kwijtschelding (lees: ambtshalve toekenning) zal het CAK, naar ik aanneem, baseren op de ‘inkomensgegevens’ uit t-2. Dat gaat voorbij aan het actualiteitenprincipe van de (bijzondere) bijstand (art. 11 PW). Het CAK zal, naar ik aanneem, ook niet beschikken over gegevens over het actuele vermogen en de bijbehorende grenzen hanteren als bedoeld in art. 34 PW. Regels op grond van dat artikel zijn op geen enkele manier te vergelijken met 8% van de grondslag voor sparen en beleggen11, gebaseerd op t-2, ook niet actueel dus.
  4. Tot slot nog een uitsmijter. Het CAK kan uit de Basisregistratie persoonsgegevens (BRP) opmaken of iemand gehuwd is, dan wel of er slechts sprake is twee meerderjarige personen (niet zijnde eerste graad bloedverwanten). Het CAK zal, naar ik aanneem, geen onderzoek doen in de vorm van een huisbezoek. Als toefje nog een laatste opmerking. Voor de (bijzondere) bijstand is de kostendelersnorm van toepassing12. Ook dat zal het CAK niet beoordelen.

Ik ben dus heel benieuwd waar ‘de kwijtschelding’ van de eigen bijdrage op is gebaseerd. Mandaatbesluiten in dit kader ben ik niet tegengekomen. Of er ook daadwerkelijk een besluit wordt genomen en bekend gemaakt door het versturen van een 0-factuur, is bij mij ook niet bekend.

Het onderstaande Kamerstuk is heel recent en herhaald (deels) de inhoud van de Kamerstukken die hiervoor zijn aangehaald.

TK 2015/16, 29 538, nr. 203 (dossier zorg en maatschappelijke ondersteuning, brief Tweede Kamer d.d. 16 februari 2016)
“Ten aanzien van de aanbeveling van Ieder(in) dat gemeenten de hoogte van de eigen bijdrage moeten matigen ook voor groepen boven het minimum, geldt dat naast maatregelen binnen de eigen bijdragen (bijvoorbeeld een lagere kostprijs of het toepassen van het minimabeleid) gemeenten ook beschikken over instrumenten zoals het verstrekken van een financiële tegemoetkoming op grond van artikel 2.1.7. van de Wmo 2015 of het aanbieden van een collectieve zorgverzekering.”

Collectieve aanvullende zorgverzekering of een tegemoetkoming in die kosten
Art. 35 lid 3 PW geeft het college de discretionaire bevoegdheid om in natura (of een tegemoetkoming in de kosten) een (collectieve) aanvullende zorgverzekering te verlenen aan ‘minima’. Zoals gezegd, kunnen daarmee kosten, die niet uit het basispakket worden verstrekt, wel op grond van een aanvullende verzekering worden vergoed. Denk bijvoorbeeld aan de eigen bijdrage voor een gehoorapparaat, kosten van fysiotherapie of door het afkopen van het verplicht eigen risico. Veel gemeenten gebruiken hiervoor de middelen van de vervallen Rijksregeling voor chronisch zieken en gehandicapten (de zogeheten Wtcg en CER-gelden).

Tegemoetkoming meerkosten
Art. 2.1.7 Wmo 2015 geeft de gemeenteraad de bevoegdheid om regels te stellen voor de verlening van een tegemoetkoming in de meerkosten die verband houden met een beperking, chronisch of psychische of psychosociale problemen. De tegemoetkoming is ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie. Zie art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015 en de toelichting daarop voor deze laatstgenoemde begrippen.
Het is voor gemeenten mogelijk om specifiek voor personen met een chronische ziekte en/of beperking en met een inkomen boven het netto sociaal minimum een categoriale regeling te treffen waarmee een tegemoetkoming al dan niet in de vorm van een forfaitaire vergoeding wordt versterkt. Daaronder inbegrepen beleidsruimte om te bepalen hoe de financiële tegemoetkoming wordt verstrekt. De tegemoetkoming kan in de vorm van een forfaitaire vergoeding worden verstrekt. Gemeenten zijn daarnaast vrij in het stellen van criteria waaronder ook regels met betrekking tot het inkomen (EK 2013/14, 33 726, C, p. 9-10).

Niet verplicht
Als een gemeente besluit de bevoegdheid niet te gebruiken omdat zij de voorkeur geeft aan andere gemeentelijke instrumenten, moet zij dit in het beleidsplan motiveren (art. 2.1.2. lid 5 Wmo 2015). Onvoldoende financiële middelen is geen valide argument (EK 2013/14, 33 841, G, p. 96-97).

Redactionele noot
Uit de wetsgeschiedenis kan worden opgemaakt dat de hoogte van de tegemoetkoming gebaseerd kan worden op de werkelijke meerkosten of op een forfaitair bedrag. Daarvoor kunnen criteria worden vastgesteld. Hoewel een algemeen uitgangspunt is dat de tegemoetkoming op aanvraag wordt verleend, is het niet denkbeeldig dat verstrekking van forfaitaire tegemoetkomingen regel-luw kan worden ingezet.

Tot slot
Niet alleen voor maatschappelijke ondersteuning moeten burgers een bijdrage uit hun eigen portemonnee betalen. Dat geldt ook voor de zorg of diensten op grond van de Zorgverzekeringswet (zie paragraaf 1a Besluit zorgverzekering en paragraaf 1 Regeling Zorgverzekering). Daarnaast geldt een eigen bijdrage voor de zorg op grond van de Wet langdurige zorg (zie art. 3.2.5 Wet langdurige zorg, paragraaf 3.1 Besluit langdurige zorg en hoofdstuk 4 Regeling langdurige zorg). De Wlz en Wmo 2015 zijn enigszins op elkaar afgestemd, in die zin dat de eigen bijdrage Wlz in principe vóór gaat op de Wmo 2015. Voor wat de Wet langdurige zorg betreft heeft de regering in 2015 zelf al nivellerende maatregelen doorgevoerd. Denk aan de verschillende aftrekposten (inkomen en vermogen) en de introductie van de korting op de eigen bijdrage. In 2016 is dat € 136,80 per maand voor verzekerden met een volledig pakket thuis (vpt) of een modulair pakket thuis (mpt).

MAATWERK_1Kan categoriaal en individueel maatwerk?
Daar kan ik heel kort over zijn: ja, dat kan. Mijn advies is om de mogelijkheden in de Participatiewet en de Wmo 2015 ten volle te benutten. En van de politiek vragen standpunten in te nemen die (mede) zijn gebaseerd op de inhoud. Het gebruik maken van art. 2.1.7 Wmo 2015 kan ik alleen maar aanmoedigen. Daarbij merk ik op dat met het vaststellen van deugdelijke draagkrachtregels je niet bang hoeft te zijn (onnodig) financieel risico te lopen. Het biedt optima-forma mogelijkheden tot maatwerk.
Dat was toch de bedoeling, of begrijp ik het niet goed?

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies


  1. Met deze bijtelling wordt bij het inkomen dat relevant is voor het vaststellen van de hoogte van de eigen bijdrage Wmo en AWBZ een klein percentage van 8% van het vermogen van betrokkene bijgeteld 

  2. voor personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, chronisch zieken en gehandicapten en schoolgaande kinderen 

  3. feitelijk een eigen betaling 

  4. verschillend per gemeente, 110%, 120% of 130% van het sociaal minimum 

  5. of een tegemoetkoming in de kosten daarvan 

  6. personen met een beperking, chronisch psychische problemen of psychosociale problemen 

  7. niet voor een rolstoel en jonger dan 18 jaar, tenzij het een woningaanpassing betreft 

  8. algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen 

  9. mogelijk indirect via delegatie 

  10. voor het CAK lijkt mij dit overigens relevant om te weten 

  11. art. 5.2 lid 1 Wet inkomstenbelasting 2001 

  12. de geïnteresseerde lezer wijs ik op een blog update over deze kwestie 

5 gedachten over “De knoppen van de ‘eigen bijdrage’ en andere kosten. Categoriaal en individueel maatwerk mogelijk?

  1. Pingback: Biedt jouw gemeente genoeg aanvullende (inkomens)ondersteuning? Wat zijn de mogelijkheden? – Uitvoering Wmo 2015

  2. Pingback: Wist je dat? – Uitvoering Wmo 2015

  3. Pingback: Best gelezen en series – Uitvoering Wmo 2015

  4. Pingback: Moties Kamerdebat eigen bijdrage – Uitvoering Wmo 2015

  5. Pingback: Rechtbank Oost-Brabant geeft een duidelijke blik op beleid: verordening en eigen bijdrage. Wees gewaarschuwd – Uitvoering Wmo 2015

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*