Beschermd wonen: wijzigen leveringsvorm in overgangsjaar mogelijk?

VerdiepingPer 1 januari 2015 zijn de AWBZ-aanspraken als bedoeld in art. 8.1 lid 1 onder a tot en met f Wmo 2015 komen te vervallen. In art. 8.4 Wmo 2015 is het overgangsrecht geregeld voor wie een indicatie is afgegeven voor beschermd wonen als bedoeld in art. 8.1 onderdeel c Wmo 2015.1

Redactionele opmerking. De links naar de wetsartikelen in deze blog update zijn vervangen (geldend per 1 januari 2018).

Moet het college een verzoek om de leveringsvorm van beschermd wonen in natura om te zetten in een persoonsgebonden budget (pgb) honoreren? En zo ja, op grond van welke regels wordt dat pgb dan verstrekt?

Indicatiebesluit beschermd wonen
Gedurende het overgangsrecht als bedoeld in art. 8.4 Wmo 2015 heeft de belanghebbende recht op de zorg die aan het indicatiebesluit is verbonden. Ingevolge het overgangsrecht treedt het college ook voor beschermd wonen in de plaats van de zorgverzekeraar (art. 8.4 lid 2 Wmo 2015). Maar de zorg die wordt geboden is wel op basis van een indicatiebesluit dat is afgegeven op grond van de AWBZ, met de daarbij behorende rechten en plichten.2
In art. 8.1 tot en met 8.4 Wmo 2015 wordt telkens gesproken over een indicatiebesluit. Dat besluit moet dus nadrukkelijk worden onderscheiden van een besluit over de leveringsvorm waarmee de aanspraak feitelijk te gelde kan worden gemaakt.3 Wel is het zo dat in het indicatiebesluit van het CIZ de voorkeur van de verzekerde staat genoemd die hij heeft qua leveringsvorm.
Beschermd wonen wordt in natura verstrekt en kan op verzoek van betrokkene ook in de vorm van een pgb worden verleend, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa). Het is echter aan het zorgkantoor of de keuze voor de leveringsvorm – waaronder ook de keuze van de aanbieder in natura – van de verzekerde wordt gehonoreerd.4 Zo moet een aanbieder van zorg in natura door het zorgkantoor zijn gecontracteerd. Of de verzekerde recht heeft op een pgb wordt, zoals gezegd, beoordeeld op basis van de regels in de Rsa. Het zorgkantoor geeft een besluit af over de leveringsvorm. 

Doel overgangsrecht
Het doel van het AWBZ-overgangsrecht (voor beschermd wonen) is het bieden van rechtsbescherming tegen de onmiddellijke werking van de nieuwe regels (Wlz en Wmo 2015). Uit de bepalingen maak ik op dat deze bescherming specifiek betrekking heeft op de zorg in natura. Zie daarvoor ook hoofdstuk 11 § 1 van de Wet langdurige zorg (Wlz). Beschermd wonen was onder de AWBZ intramurale zorg en daarvoor geldt – in afwijking van extramurale zorg – een overgangstermijn van in ieder geval vijf jaar, tenzij de indicatie eerder eindigt (art. 8.4 lid 1 Wmo 2015).

Extramurale zorg
TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 198-199. “Het vervallen van de AWBZ aanspraken vindt uiteraard niet plaats zonder dat voor de betrokkenen is voorzien in een zorgvuldige en evenwichtige regeling van overgangsrecht. Daarmee wordt enerzijds gewaarborgd dat betrokkenen niet onmiddellijk met de gevolgen van de wijzigingen worden geconfronteerd, zodat zij zich kunnen voorbereiden op de komende wijzigingen, en dat op zorgvuldige wijze kan worden vastgesteld voor welke ondersteuning zij in de nieuwe opzet in aanmerking komen. Anderzijds is het van belang dat de periode gedurende welke door het bestaan van een overgangsregeling twee groepen van gevallen met ongelijke rechten bestaan, zo kort mogelijk wordt gehouden.”

Intramurale zorg
TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 200. “Betrokkenen verblijven – soms gedurende vele jaren – in een instelling voor beschermd wonen. Uit een oogpunt van zorgvuldige belangenafweging is het niet goed verdedigbaar de aanspraak van deze cliënten te doen eindigen op een zelfde termijn als geldt voor de extramurale zorg. Tegelijk is het wenselijk ook voor deze aanspraak bestaande rechten niet ten eeuwigen dage ongewijzigd te prolongeren. Om die reden is voorzien in een overgangstermijn die ten minste vijf volle kalenderjaren zal belopen. Personen die op 1 januari 2015 verblijven in een instelling voor beschermd wonen kunnen in die instelling kunnen blijven wonen zolang hun indicatie daarvoor geldt. Indien de indicatie nog voor meer dan vijf jaren geldt, houden zij in elk geval tot de eerste dag van het zesde jaar na inwerkingtreding van de wet recht op beschermd wonen en mogelijk zelfs ook daarna nog. De wet maakt het mogelijk de periode waarvoor het overgangsrecht voor deze personen geldt, eventueel nog lang voort te laten duren. Maar met de formulering van het artikelonderdeel5 is wel ook tot uitdrukking gebracht dat niet uitgesloten is dat er over een zestal jaren een andere oplossing moet worden gevonden.”

Redactionele noot
Uit art. 8.4 lid 1 Wmo 2015 volgt mijns inziens dat ook verzekerden, met een indicatie voor beschermd wonen welke wordt verzilverd in de vorm van een Volledig Pakket Thuis of overbruggingszorg in aanmerking komen voor het overgangsrecht van tenminste vijf jaar of tot zolang deze indicatie geldig is. De wet maakt namelijk geen onderscheidt tussen de natura-vormen waarin het beschermd wonen wordt geboden.

Persoonsgebonden budget
Zoals gezegd is het pgb een leveringsvorm waarmee de zorg van het indicatiebesluit kan worden ingekocht. Uit art. 8.3 lid 3 Wmo 2015 volgt dat de leveringsvorm pgb voor beschermd wonen op 1 januari 2016 van rechtswege eindigt. Dat geldt overigens voor zowel de intramurale als de extramurale zorg die met het pgb wordt ingekocht.

Redactie 21-1-2018. Hierin zit besloten dat betrokkenen in een accommodatie6 wonen van een derde aan wie het pgb wordt besteed.

Omzetten leveringsvorm
Volgens mij moeten we vaststellen dat het overgangsrecht niet voorziet in de situatie waarin betrokkene het college vraagt om de bestaande leveringsvorm van beschermd wonen om te zetten. Dat betekent dat aansluiting moet worden gezocht bij de hoofdregel en de bedoeling van het overgangsrecht.

De hoofdregel
Voor beschermd wonen is de hoofdregel neergelegd in art. 8.4 lid 1 Wmo 2015. Kort gezegd: in ieder geval vijf jaar tenzij (…). In de toelichting van art. 8.1 Wmo 2015 staat dat de condities van de AWBZ; de omvang van de aanspraak, de wijze van tot gelding brengen van aanspraken en te betalen bijdragen blijven gelden gedurende het overgangsrecht (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 198-199). Ik merk op dat de zinsnede ‘de wijze van tot gelding brengen van aanspraken’ door de wetgever ongelukkig is gekozen. Immers valt daar ook de leveringsvorm onder. Terwijl uit art. 8.1 tot en met 8.4 Wmo 2015 duidelijk blijkt dat het bij het overgangsrecht gaat om de indicatie en niet om de leveringsvorm.7 De wetgever heeft nadrukkelijk bedoeld om de AWBZ-indicatie die in natura wordt verzilverd of kan worden verzilverd te beschermen tegen de werking van de nieuwe regels.

Van natura naar PGB
Voor zover het een verzoek om omzetting betreft van natura naar pgb het volgende. Nu de wetgever heeft beoogd om voor de natura-zorg rechtsbescherming te bieden, moet een dergelijk verzoek worden aangemerkt als aanvraag in de zin van art. 1:3 lid 3 Awb. In art. 2.3.2 lid 9 Wmo 2015 is echter bepaald dat een aanvraag als bedoeld in art. 2.3.5 Wmo 2015 kan niet worden gedaan dan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen zes weken.

De client die zich tot het college wendt met een dergelijk verzoek (lees: een melding) heeft daarmee aanspraak op een onderzoek als bedoeld in art. 2.3.2 lid 4 Wmo 2015 én een schriftelijke weergave van dat onderzoek. Daarna kan het college op de aanvraag als bedoeld in art. 2.3.5 Wmo 2015 beslissen.8

Verspelen van rechten
De vraag is of betrokkene met een dergelijk verzoek zijn overgangsrecht verspeeld. Hoewel dat niet expliciet in de wet is opgenomen, meen ik dat dit het geval is. Dat leid ik vergelijkenderwijs af uit het volgende Kamerstuk.

TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 199. De wettelijke overgangsregeling staat er uiteraard niet aan in de weg dat het college in samenspraak met betrokkene op een eerder tijdstip onderzoekt of voor hem een nieuw ondersteuningsarrangement kan worden getroffen, dat past binnen het door de gemeente vastgestelde beleid. Indien dat proces leidt tot overeenstemming over een nieuw arrangement, treedt dat in de plaats van de overgangsrechtelijke aanspraak. Let wel, de overgangsregeling kan voor die cliënt in dat geval wel eerder eindigen, maar niet later dan volgens de hoofdregel het geval zou zijn.

Voorlichting vereist
Gelet op het doel van het overgangsrecht (zie eerder in dit blog) en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, het volgende. Ik ben van mening dat het op de weg van het college ligt het verzoek van belanghebbende (ook) in dat kader te beoordelen. Dit betekent dat nadrukkelijk gewezen moet worden op de gevolgen: een besluit op grond van de Wmo 2015 komt in de plaats van het overgangsrecht op grond van de AWBZ. Belanghebbende kan zich dan beraden of hij zijn aanvraag wel wil doorzetten. Wel vraag ik me af welke reden iemand kan hebben voor een dergelijk verzoek. Is dat omdat de bijdrage in de kosten op grond van de Wmo 2015 lager zal zijn dat de eigen bijdrage op grond van de regels van de AWBZ?

Van PGB naar natura
Het kan natuurlijk ook andersom. Hoe moet het college omgaan met het verzoek om een pgb voor beschermd wonen om te zetten in natura? Dit zou anders kunnen liggen omdat de wetgever met het overgangsrecht heeft beoogd de natura-variant van deze zorg te beschermen. Het college zou vergelijkenderwijs art. 8.3 lid 2 Wmo 2015 kunnen toepassen (zie voor de toelichting TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 198-199). Dat artikel bepaalt kort gezegd als de aanspraak op zorg nog niet tot gelding is gebracht dat betrokkene verplicht is om met de gemeente te overleggen. Dat overleg heeft betrekking op de keuze van de aanbieder. Het kan dan ook zijn dat de door de gemeente gecontracteerde aanbieder prevaleert boven de keuze van betrokkene. Let wel, de overlegverplichting mag geen afbreuk doen aan de rechten (en verplichtingen) die betrokkene op grond van het indicatiebesluit heeft! De materiële regels van de AWBZ blijven daarmee van kracht.

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies


  1. artikel 9 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ 

  2. voor betrokkenen geldt vanaf 1-1-2015 overigens op basis van art. 8.3 lid 6 Wmo 2015 wel de inlichtingen- en medewerkingsplicht plicht jegens het college als bedoeld in art. 2.3.8 Wmo 2015 

  3. vergelijk r.o. 4.5 in CRVB:2009:BH9439 

  4. zie ook de toelichting bij art. 8.2 lid 1 onder c Wmo 2015. Daaruit blijkt dat verplichting tot het verstrekken van de gegevens aan het college over de zogeheten zorgconsumptie op de zorgkantoren rust. Die informatie gaat dus over het besluit van de leveringsvorm. 

  5. art. 8.4 lid 1 

  6. de wet spreekt over instelling 

  7. het recht op pgb eindigt immers van rechtswege 

  8. ik ga er van uit dat is voldaan aan de voorwaarde dat de aanvraag schriftelijk is of wordt ingediend 

2 gedachten over “Beschermd wonen: wijzigen leveringsvorm in overgangsjaar mogelijk?

  1. Waarschijnlijk is het overgangsrecht van 5 jaar voor zorg in natura gebaseerd op de belangen van continuiteit van zorg en begeleiding voor zowel zorgaanbieder als bewoner. Zou dan niet hetzelfde moeten gelden voor pgb-gefinancierde ouderinitiatieven?

    • Geachte heer Rhebergen
      Helemaal duidelijk is de beweegreden inderdaad niet. Echter heeft de regering vooral voor ogen gehad dat intramuraal verblijf – de klassieke leveringsvorm in natura – de bescherming van vijf jaar moest krijgen. Uit de wettekst volgt dat andere leveringsvormen in natura ook onder dit overgangsrecht vallen. Voor pgb heeft de wetgever een ander standpunt ingenomen (wat daar ook van zij).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*