Rechtbank Den Haag: weigering videofoonsysteem terecht?

jurisprudentieDe enkelvoudige kamer van de Rechtbank Den Haag oordeelt over de afwijzing van een aanvraag om een woonvoorziening in de vorm van een geldelijke vergoeding voor een videofoonsysteem. ((Rechtbank Den Haag 12-05-2015, SGR 14/5352)) De kosten bedragen € 2.800 exclusief BTW. De aanvraag is gedaan op grond van de Wmo 2007.

Waar gaat het over
Belanghebbende is doof en woont, samen met zijn eveneens dove partner, in een appartement op de vierde verdieping van een appartementengebouw. Vanuit het appartement kan hij de entreehal van het gebouw niet zien. De individuele appartementen beschikken over een intercomsysteem waarmee kan worden gecommuniceerd met personen die aanbellen bij de buitendeur van het gebouw. Belanghebbende en zijn partner kunnen vanwege hun handicap het intercomsysteem niet gebruiken. Als er aan de buitendeur van het gebouw wordt aangebeld bij hun adres wordt dat binnen hun appartement met een oplichtend signaal aangegeven.

Afwijzen aanvraag
Het college wijst de aanvraag af en handhaaft dat besluit in bezwaar. De rechtbank doet een tussenuitspraak met een opdracht aan het college het motiveringsgebrek te herstellen. Daar maakt het college geen gebruik van, maar geeft de rechtbank in plaats daarvan bij brief een aangepaste onderbouwing van het bestreden besluit.

Tussenuitspraak
Het bestreden besluit steunt op artikel 20, onder c, van de Verordening. Dat artikel luidt: ((Nagezocht op decentrale.regelgeving.overheid.nl))

“De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt geweigerd indien: c. deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten, behoudens die verstrekkingen die genoemd zijn in het besluit;”

In artikel 8 lid 7 van het betreffende Besluit is een videofoonsysteem (of iets soortgelijks) niet opgenomen. ((Nagezocht op decentrale.regelgeving.overheid.nl))

In haar tussenuitspraak oordeelt de rechtbank dat het artikel van de verordening onverbindend is wegens strijd met artikel 1 lid 1 onder g onderdeel 6 in samenhang met artikel 4 lid 1 onder a Wmo 2007.

Ik ga er van uit dat de rechtbank bedoelt dat de bepaling in dit individuele geval onverbindend is. Uit een tussenuitspraak van de CRvB blijkt namelijk dat het weigeren van een individuele voorziening op grond van een dergelijke bepaling niet zonder meer onverbindend is (zie CRVB:2011:BU4344.)

Normale gebruik van de woning
In de hiervoor genoemde tussenuitspraak oordeelt de rechtbank ook dat een voorziening, die erop is gericht vast te stellen wat de identiteit is van personen die toegang vragen tot de gemeenschappelijke ruimten van een appartementengebouw, tot het normale gebruik van een woning behoort.

Algemeen gebruikelijke voorzieningen
De rechtbank oordeelt ook dat voorzieningen, die erop zijn gericht uit oogpunt van veiligheid te voorkomen dat ongewenste personen een appartementengebouw kunnen betreden, als gebruikelijke voorzieningen zijn aan te merken.

Compensatieplicht
Verder oordeelt de rechtbank in haar tussenuitspraak dat het geval van belanghebbende sprake is van een te compenseren beperking. Reden waarom de rechtbank in de tussenuitspraak het college heeft gevraagd nader te onderzoeken of er een ander adequaat alternatief is voor een videofoon ter compensatie van de beperkingen van belanghebbende. Voor zover er geen adequaat alternatief zou zijn, zou het college een bijdrage voor het aanbrengen van een videofoon moeten toekennen.

Gebrek hersteld?
De rechtbank stelt vast dat het college de gebreken in de beslissing op bezwaar niet heeft hersteld op de manier waarop de rechtbank dat heeft gevraagd. In plaats daarvan neemt het college – onder verwijzing naar de uitspraak CRvB 28-05-2003, nr. 01/5931 en 5932 WVG – ((De belanghebbenden in kwestie (beiden ernstig visueel gehandicapt) voerden aan dat zij zich zonder intercominstallatie voor hun eigen voordeur onveilig voelden. Dit terwijl hun portiekwoning met een huistelefooninstallatie is verbonden met de gemeenschappelijke voordeur. De Raad laat zich in de uitspraak niet uit of een voorziening, die erop is gericht vast te stellen wat de identiteit is van personen die toegang vragen tot de gemeenschappelijke voordeur, tot het normale gebruik van een woning behoort. Volgens de Raad wijst het college de aanvraag wel terecht af. Daarbij is aanmerking genomen dat de aanwezige deurketting in combinatie met de in de centrale entree verbonden huistelefoon maakt dat belanghebbenden niet zijn aangewezen op de gevraagde intercom)) het standpunt in dat het kunnen zien wie er aanbelt bij het bellentableau in de centrale hal niet valt onder de elementaire woonfuncties.
Ook is het college van mening dat, voor zover belanghebbende toch een camera bij het bellentableau wil plaatsen, beveiligingscamera’s uit de reguliere handel moeten worden beschouwd als algemeen gebruikelijke voorzieningen.
Het college neemt geen wijzigingsbesluit. Ter zitting legt het college nader uit waarom dat zo is en vraagt de rechtbank de hiervoor aangehaalde uitspraak van de CRvB te volgen en dienovereenkomstig uitspraak te doen. De rechtbank wijst er op dat zij in de tussenuitspraak duidelijk heeft geformuleerd hoe het college de daar geconstateerde gebreken in het bestreden besluit kon herstellen. De rechtbank ziet in wat het college aanvoert geen grond om het door hem gedane verzoek te honoreren. Nu het college geen wijzigingsbesluit heeft genomen, betekent dit dat het bestreden besluit er nog in ongewijzigde vorm ligt en nog steeds een deugdelijke motivering ontbeert.

Beroep gegrond
De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. Uit het oogpunt van finale geschillenbeslechting verklaart de rechtbank het bezwaar gegrond en herroept het primaire besluit. Het college moet belanghebbende een zodanige geldelijke voorziening ingevolge de Wmo 2007 toekennen dat hij daarmee in staat moet worden geacht een videofoon te kunnen kopen en deze te laten installeren. Al met al nog een dure aangelegenheid voor het college. De proceskostenveroordeling wordt vastgesteld op € 2.450.

vraagtekensRedactionele noot
Ik vraag me nog iets af. Zou het oordeel van de rechtbank anders zijn geweest als het college een nieuwe beslissing op bezwaar had genomen (met eenzelfde uitkomst). Ik acht dat niet ondenkbaar. Belanghebbende kan waarnemen dat er wordt gebeld door het oplichtende signaal dat dan wordt gegeven. Het is de vraag of een voorziening, die erop is gericht vast te stellen wat de identiteit is van personen die toegang vragen tot de gemeenschappelijke ruimten van een appartementengebouw, tot het normale gebruik van een woning behoort. Kan een belanghebbende dat niet ook bij zijn voordeur doen? Hiermee bedoel ik (ook) dat het college geen compensatieplicht heeft als belanghebbende met algemeen gebruikelijke oplossingen, zoals een deurketting en/of een klein luikje in de voordeur voor een adequate oplossing kan zorgen. Deze twee maatregelen worden in de door het college aangehaalde uitspraak van de Raad genoemd. Ik deel het standpunt van het college overigens niet dat het aanbrengen van beveiligingscamera’s voor de persoon van de aanvrager algemeen gebruikelijk kunnen zijn.

Relevant voor de Wmo 2015
Op zich wel. Dergelijke aanvragen kunnen zich natuurlijk ook onder de Wmo 2015 voordoen. Deze wet kent echter het begrip normaal gebruik van de woning niet en ook niet de geschreven vier resultaatgebieden van artikel 4 lid 1 Wmo 2007. Aangewezen zijn op een maatwerkvoorziening, zoals een videofoonsysteem vloeit voort uit de mate waarin de client zelfredzaam wordt geacht. De Wmo 2015 kent wel definities van zelfredzaamheid, een hulpmiddel en een woningaanpassing (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015).

Blik_op_beleid_4_kleinBlik op beleid
Meer weten over het Beleid op grond van de Wmo 2015? Schrijf je dan in voor de Bijeenkomst Blik op beleid op 2 september. Heus de moeite waard!

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*