Derde amendement Wmo 2015 ingediend: bestuurlijke afspraken cliëntondersteuning

overheid.nlOp 20 februari heeft lid Van Dijk het derde amendement  (33 841 nr. 13) ingediend op het wetsvoorstel Wmo 2015. Voorgesteld wordt om aan de begripsbepaling cliëntondersteuning in artikel 1.1.1 Wmo 2015 het woord “onafhankelijke” toe te voegen. In een eerder blog schreef ik over het eerste amendement van Lid Voortman. Tijdens het debat op 5 februari werden een tweede amendement en een aantal moties ingediend. Daarover stemde de Kamer op 11 februari.

Strekking
Met het derde amendement beoogt de indiener onafhankelijke cliëntondersteuning te borgen. De cliënt moet erop kunnen vertrouwen dat de ondersteuning die geboden wordt om een cliënt bij te staan tijdens de besluitvorming over de toekenning van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget volledig onafhankelijk is van de gemeente die uiteindelijk het besluit neemt om een cliënt wel of niet een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget toe te kennen. Er zorg voor dragen dat het belang van betrokkene uitgangspunt is, is volgens de indiener van dit amendement niet voldoende. Het belang van de cliënt moet het enige belang zijn dat meetelt voor de cliëntondersteuner. Iedere vorm van belangenverstrengeling wordt op deze wijze voorkomen.

Cliëntondersteuning
Wat is cliёntondersteuning? De begripsbepaling in artikel 1.1.1 Wmo 2015 luidt:

“ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdzorg, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen.”

De toelichting op dit artikel luidt:

Bij de ingeburgerde term ‘cliёntondersteuning’ gaat het om informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie van mensen. Daarnaast omvat ‘cliëntondersteuning’ informatie, advies en algemene ondersteuning over de mogelijkheden op het vlak van een zo integraal mogelijke dienstverlening (ook bestaande uit hulpmiddelen, woningaanpassingen etc.) op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdzorg, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen ten behoeve van het maken van een keuze of het oplossen van een probleem. Dit leidt tot regieversterking van de cliënt (en zijn omgeving) en bevordert de zelfredzaamheid en participatie. De informatie en het advies houden ook in uitgebreide vraagverheldering evenals kortdurende en kortcyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen. Het gaat om informatie en advies aan mensen die voor een vraag of een situatie staan die zodanig complex is dat de persoon het niet zelf of met zijn omgeving op kan lossen. De formulering ‘algemene ondersteuning’ onderscheidt deze vorm van hulp bij zelfredzaamheid en participatie van de maatwerkvoorziening.”

Continuïteit cliëntondersteuning
Op 25 februari informeerde Van Rijn de Kamer met een brief over de continuïteit van de cliëntondersteuning voor mensen met een handicap. Met de inhoud van de brief wordt invulling gegeven aan de motie TK 30 597 nr. 355.

meeLogoHoewel gemeenten sinds 2007 al verantwoordelijk zijn voor informatie, advies en clientondersteuning (art. 1 lid 1 onder g onderdeel 3° Wmo 2007) werd dat uitgevoerd door MEE. De subsidievoorwaarden hiervoor zijn neergelegd in paragraaf 2.5 Regeling Subsidies AWBZ (RSA).

Artikel 2.5.1 RSA bepaalt de subsidiabele activiteiten. Dat zijn:

  • collectieve cliëntondersteuning
  • individuele cliëntondersteuning
  • coördinatie van projecten integrale vroeghulp (deze activiteit blijft in dit blog verder onbesproken)

Samenwerking met gemeenten
De subsidievoorwaarden voor collectieve cliëntondersteuning zijn in de loop van de tijd aangepast aan de (verplichte) samenwerking met gemeenten of lokale partijen om inhoud te geven aan het beleidsterrein bedoeld in art. 1 lid 1 onder g onderdeel 3° Wmo 2007 (zie art. 2.5.3. lid 1 onder c RSA)Verder bepaalt artikel 2.5.9 RSA dat de MEE-organisatie de activiteiten van artikel 2.5.1 RSA verricht in samenwerking met de gemeenten in haar werkgebied en daarover afspraken maakt met die gemeenten. Die hebben in ieder geval betrekking op de voorbereiding op de verantwoordelijkheid van de gemeenten voor cliëntondersteuning met ingang van het jaar 2015. Daarbij wordt rekening gehouden met de ontwikkelingen op het terrein van maatschappelijke ondersteuning, langdurige zorg, jeugdzorg en werk en inkomen.

Collectieve cliëntondersteuning (art. 2.5.3 lid 1 RSA)
Onder de subsidiabele collectieve cliëntondersteuning door de MEE-organisatie vallen de volgende activiteiten:

  • het vergaren en verstrekken van informatie en het geven van voorlichting aan cliënten
  • het signaleren van relevante ontwikkelingen en belemmeringen
  • het scheppen van voorwaarden voor maatschappelijke activering en integratie voor cliënten door onder meer samenwerking met gemeenten en lokale partijen

Individuele cliëntondersteuning (art. 2.5.4 lid 1 RSA).
Onder de subsidiabele individuele cliëntondersteuning door de MEE-organisatie vallen de volgende activiteiten:

  • informatieverstrekking en advisering
  • vraagverduidelijking
  • aanvragen en realiseren van externe dienstverlening en zorg
  • klacht en bezwaar en beroep waaronder ook het voorkomen daarvan
  • monitoring en evaluatie van externe dienstverlening en zorg
  • ondersteuning in een crisissituatie
  • volledige beeldvorming
  • kortdurende en kortcyclische ondersteuning
  • aanbieding van cursussen in groepen

Terug naar de brief
logo rijksoverheidIn de brief gaat de Staatssecretaris in op twee punten. Allereerst de wettelijke borging en ten tweede de bestuurlijke afspraken tussen VWS-VNG en MEE Nederland.

1. Wettelijke borging
Van Rijn stelt dat cliëntondersteuning in de Wmo 2015 uitgebreider verwoord is dan in de Wmo 2007. Burgers hebben bij de toegang tot de Wmo 2015 de mogelijkheid een beroep te doen op cliëntondersteuning (het keukentafelgesprek). Gemeenten zijn verplicht daar voor te zorgen, aldus Van Rijn. In artikel 2.1.2 Wmo 2015 (het plan) staat de term cliëntondersteuning niet genoemd. Wel geeft artikel 2.2.4 Wmo 2015 het college de opdracht om zorg te dragen dat er voor ingezetenen cliëntondersteuning beschikbaar is. Daarbij geldt dat het het belang van betrokkene het uitgangspunt is. Ik merk overigens op dat het tweede lid bepaalt dat cliëntondersteuning onder het begrip maatschappelijke ondersteuning valt. In de gelaagdheid van het onderzoek door het college ná de melding, kan worden opgemaakt dat de client daarbij ondersteuning kan gebruiken (art. 2.3.2 Wmo 2015). Voor zover de weergave van het onderzoek tot een aanvraag leidt waarop het college moet beslissen geldt hetzelfde (art. 2.3.5 Wmo 2015).

Het college heeft beleidsvrijheid in de vormgeving van cliëntondersteuning. Maar – zo stelt Van Rijn – het beleid daarover moet wel opnieuw worden vormgegeven. Verder is het niet alleen bestemd voor mensen met een handicap maar ook voor ouderen en de ggz-doelgroep.

2. Bestuurlijke afspraken
Op 21 februari zijn er bestuurlijke afspraken gemaakt tussen VWS-VNG en Mee Nederland. Die hebben betrekking op de voorbereiding en de uitvoering van cliëntondersteuning. Per 1 januari 2015 is de beschikbaarheid van cliëntondersteuning voor de MEE-doelgroep verzekerd. Juist voor hen is het van belang dat zij – gedurende de transities – kunnen blijven rekenen op cliëntondersteuning. De genoemde partijen hebben daarover afspraken gemaakt. Uiterlijk 1 mei 2014 maken gemeenten afspraken met MEE over de continuïteit. Ook wordt daarbij – uiterlijk 1 oktober – aangegeven hoeveel middelen de gemeente aan MEE zal besteden. Gemeenten werken daarbij samen om tot regionale – bij voorkeur meerjarige – afspraken te komen. Ook het aspect ‘mens volgt werk’ komt daarbij aan de orde.

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*