Rechtbank Gelderland: twee voorlopige voorzieningen hulp bij het huishouden

Logo_rechtspraakDe Rechtbank Gelderland wijst twee voorlopige voorzieningen toe aan belanghebbenden (RBGEL:2015:1490 en RBGEL:2015:1494).

Aanleiding voor de verzoeken is de mededeling per brief dat de gemeente in kwestie per 1 januari 2015 de voorziening hulp bij het huishouden niet meer regelt en betaalt. Tegen deze mededeling, welke het college in 2015:1490 aanmerkt als een aanvraag om verlenging van een indicatie, komt belanghebbende in bezwaar. In 2015:1494 komt belanghebbende in bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag.

De uitspraken zijn heus lezenswaardig! Dit omdat de voorzieningenrechter, naar mijn mening meer dan gebruikelijk is te doen, inhoudelijke overwegingen opneemt in de uitspraken. Daarmee geeft de voorzieningenrechter iets wezenlijks prijs over een toekomstig oordeel van de rechtbank in de eventuele bodemprocedures dan wel bij andere zaken over soortgelijke geschillen. Ik zie dat dan maar als tips van de week. Datzelfde zie ik overigens ook terug in RBNNE:2014:6167.

Spoedeisend belang
In beide zaken neemt de voorzieningenrechter spoedeisend belang aan omdat aannemelijk is geworden dat de huizen van beide verzoekers sinds 1 januari 2015 niet meer schoongemaakt worden en zij dat zelf niet kunnen. Verder is niet gebleken dat dat verzoekers met eigen (financiële) middelen en/of via hun netwerk op korte termijn zelf een tijdelijke oplossing kunnen bewerkstelligen. Verzoekers hebben genoegzaam aangetoond dat zij een spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter is er verder op voorhand niet van overtuigd dat het door de gemeente gehanteerde uitgangspunt niet strijdig is met de Wmo 2015. Het gaat in deze kwesties om de vraag of de eerste drie uur huishoudelijke hulp algemeen gebruikelijk is, die aan het verstrekken hiervan in de weg staat.

Grondslag van de besluiten
De dragende grond van de besluiten is dat het college stelt dat de eerste drie hulp bij het huishouden algemeen gebruikelijk is. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter moet bij de beoordeling of een voorziening algemeen gebruikelijk is worden bezien of de voorziening ook voor de aanvrager algemeen gebruikelijk is, Daarvoor zijn diens individuele omstandigheden van belang. Feitelijk is dit een heus schot voor eigen doel omdat het college zelf afwijkt van het bepaalde in de verordening. Daarnaast is het zo dat in het beleidsplan 2014-2016 staat dat huishoudelijke hulp als maatwerkvoorziening getroffen kan worden. In dat kader wijst de voorzieningenrechter verder nog op het volgende. De vraag of er sprake is van een schrijnend geval heeft niets van doen met de door de gemeente gehanteerde definitie van algemeen gebruikelijk, de uitleg die daaraan in het beleid wordt gegeven en de daarin door de gemeente zelf aangehaalde jurisprudentie.

Onderzoek RBGEL:2015:1490
De voorzieningenrechter is niet gebleken dat op een persoon van de aanvrager toegespitst onderzoek heeft plaatsgevonden. Blijkbaar heeft alleen een telefonisch gesprek plaatsgevonden waarbij het college aan belanghebbenden eenvoudigweg heeft medegedeeld dat voor hen de eerste drie uur geen hulp kan worden toegekend. Anders dan het college betoogt oordeelt de voorzieningenrechter dat belanghebbende niet kan worden verweten dat hij niet mee heeft gewerkt aan nader onderzoek omdat hij in de veronderstelling mocht verkeren dat een “keukentafelgesprek” geen toegevoegde waarde zou hebben. Dit alles klemt hier temeer nu belanghebbende eerder bij de melding heeft gesteld dat, door een ongeval, sprake was van een spoedeisende situatie als bedoeld in artikel 2.3.3 Wmo 2015. Het college reageert op deze melding met een afwijzing per email terwijl er geen individueel onderzoek heeft plaatsgevonden. Het college heeft eveneens niet onderzocht of belanghebbende met algemeen schoonmaakwerk gecompenseerd is. Dit is van belang omdat belanghebbende stelt dat naast het overnemen van activiteiten het ook gaat om ondersteuning bij het doen van het huishouden (overname van regie). Het ligt op de weg van het college hier onderzoek naar te doen.

Onderzoek RBGEL:2015:1494
Anders dan het college betoogd is de voorzieningenrechter ook in deze zaak niet gebleken dat een afdoende op de persoon van de aanvrager toegespitst onderzoek heeft plaatsgevonden. Uit het verslag en het verhandelde ter zitting blijkt dat slechts een vluchtige inventarisatie van de persoonlijke omstandigheden is gedaan zonder dat uit de schriftelijke weergave van het onderzoek blijkt dat deze kenbaar zijn meegewogen. Volgens de voorzieningenrechter valt hieruit slechts op te maken dat enkel is onderzocht of belanghebbende meer dan drie uur huishoudelijke hulp nodig had.

Investeer in de uitvoering
Uit beide uitspraken blijkt maar weer hoe belangrijk de uitvoering van het proces van de melding en het onderzoek in het algemeen is. Tijdens de Bijeenkomst Uitvoering Wmo 2015, de Studiedag maatwerkvoorziening met juridische en menselijke maat en de twee daagse cursus Het resultaat is zelfredzaamheid en participatie wordt hier uitgebreid op ingegaan (do’s en dont’s, modellen, etc.).

Algemeen gebruikelijk
Zoals gezegd is de dragende grond van de besluiten gebaseerd op de beleidsbepalingen dat de eerste drie uur hulp bij het huishouden algemeen gebruikelijk zijn. Volgens het college bedragen de kosten ongeveer € 15 per uur en dus € 45 per week. De bepaling over ‘algemeen gebruikelijk’ in de betreffende verordening en de toelichting luiden als volgt:

In artikel 11, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening is bepaald dat geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt indien de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is. In de Toelichting op deze artikelen van de Verordening wordt aangegeven: ‘(…) Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken (zie o.a. CRvB 03‐07‐2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16‐04‐2008, nr. 06/4668 WVG, CRvB 14‐07‐2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16‐08‐2012, nr. AWB 11/5564). Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt (zie CRvB 17‐11‐2009, nr. 08/3352 WMO). De beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een rol spelen:

  • Is de voorziening gewoon te koop?
  • Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht?
  • Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen?(…).’

(Voorlopig) oordeel
Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie CRVB:2014:4276 oordeelt de voorzieningenrechter dat niet gezegd kan worden dat een periodieke voorziening die € 45 per week kost passend is voor sociale minima gelet op de beperkte bestedingsruimte die zij hebben. Volgens de voorzieningenrechter is dat anders bij een boodschappendienst1 waar het in de regel gaat om geringe bijkomende bedragen en niet om substantieel additionele kosten zoals bij drie uur hulp bij het huishouden. Zou hulp bij het huishouden überhaupt als algemeen gebruik kunnen worden aangemerkt? Geïnteresseerde lezers wijs ik op het blog waar wordt ingegaan op deze vraag.

Er is nog iets anders wat opvalt in de uitspraken. Namelijk dat de voorzieningenrechter zich uitlaat over de reikwijdte van het begrip zelfredzaamheid. Dit met betrekking tot de beleidsregels voor zover die bepalen dat schoonmaakwerk in het geheel niet meer wordt verstrekt op grond van de Wmo 2015.

Zelfredzaamheid
Het begrip zelfredzaamheid is gedefinieerd in artikel 1.1.1 lid 1 Wmo 2015. De omschrijving van ‘zelfredzaamheid’ bevat twee elementen:2

  1. het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen,
  2. het voeren van een gestructureerd huishouden.

Volgens de voorzieningenrechter moet het schoonmaken van de woning als een algemeen dagelijkse levensverrichting (ADL) worden gezien. Iemand die geen schoon huis heeft loopt het risico op vervuiling en aantasting van de gezondheid. Een schoon huis vormt als zodanig een voorwaarde om te kunnen blijven functioneren in de eigen leefomgeving als bedoeld in artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015. Dat brengt mee dat belanghebbenden die niet zelf (de regie over) zijn huishouden kan voeren niet zelfredzaam is, aldus de voorzieningenrechter.

Tot slot
Het oordeel van de voorzieningenrechter leidt tot de conclusie dat het door de wetgever aangebrachte onderscheid in de twee elementen en de voorbeelden3 die daarbij in de toelichting worden genoemd er niet toe doen.

Ligt het niet op de weg van wetgever daar zelf meer duidelijkheid over te bieden? Door de voorbeelden in de toelichting aan te vullen met huishoudelijke werkzaamheden? Door aan te geven dat maatschappelijke ondersteuning naast ondersteuning bij (regie) ook over het overnemen van huishoudelijke taken gaat? Door een definitie van huishoudelijke hulp op te nemen? En nu dat niet is gebeurd welke betekenis moet daar aan worden toegekend voor burgers en gemeenten? Of is het aan de bestuursrechter om, bij gebreke aan duidelijkheid, aan te geven hoe de wet moet worden uitgevoerd? Hebben we dat bij de Wmo 2007 niet ook al gehad?

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies


  1. zie bijvoorbeeld CRVB:2011:BR6634, CRVB:2012:BY2147 en CRVB:2013:2205 

  2. zie voor voorbeelden wat daar onder wordt verstaan TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 26 en p. 123 

  3. bewust of onbewust niet-limitatief bedoeld? 

2 gedachten over “Rechtbank Gelderland: twee voorlopige voorzieningen hulp bij het huishouden

  1. Pingback: Kan hulp bij het huishouden algemeen gebruikelijk zijn? | Uitvoering Wmo 2015

  2. Pingback: Artikel 8.9 Wmo 2015: is er overgangsrecht voor de Wmo 2007? | Uitvoering Wmo 2015

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*