Annotatie USZ Financiële tegemoetkoming als goedkoopst passende bijdrage

CRVB:2019:3610
Verschenen in USZ 2020/18 (Sdu Uitspraken Sociale Zekerheid)

Inhoudsindicatie
De Raad is van oordeel dat appellant voldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling. Bestreden besluit 2 wordt in de beoordeling betrokken. Tussen partijen is niet meer in geschil dat een verhuisprimaat geldt. Uit de overgelegde algemene offerte van een woninginrichter blijkt niet dat daarbij is uitgegaan van de goedkoopst adequate oplossingen voor de inrichting van de woning in dit specifieke geval. Hierdoor is niet gebleken dat het college met de forfaitaire vergoeding van € 2.500,- voor de verhuis- en inrichtingskosten in dit geval geen passende bijdrage heeft geleverd, als bedoeld in artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015.

Noot door I.M. Lunenburg
1. De CRvB oordeelde in 2018 dat de definitie van een maatwerkvoorziening in art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015 ruim genoeg is om (ook) een financiële maatwerkvoorziening te kunnen omvatten (CRvB 12 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:395, <<USZ>> 2018/122, m.nt. H.F. van Rooij). Denk bijvoorbeeld aan de kosten van het gebruik van een (eigen) auto of een verhuiskostenvergoeding als dat goedkoper is dan het aanpassen van de woning. Uit die uitspraak blijkt ook dat een financiële maatwerkvoorziening geen kostendekkende vergoeding hoeft te zijn. Maar de vraag hoe hoog zo’n bedrag dan moet zijn, is onbeantwoord gebleven.

2. In de hier opgenomen uitspraak gaat het geschil uitsluitend over de vraag of de hoogte van de toegekende verhuis- en inrichtingskosten zich als maatwerkvoorziening in de zin van art. 2.3.5 lid 3 Wmo 2015 laat kwalificeren. Het college wijst de aanvraag om diverse woningaanpassingen af op de grond dat verhuizen naar een (beschikbare) rolstoelgeschikte woning de goedkoopst adequate oplossing is. Daarna ontvangt appellant het tweede besluit waarin een vergoeding voor verhuis- en inrichtingskosten wordt verstrekt ter hoogte van € 2.500,-, dit conform de bijlage bij de verordening. Onder wijziging van de motivering handhaaft het college de (primaire) besluiten in de nieuwe beslissing op bezwaar. Volgens de rechtbank kan de toepassing van het verhuisprimaat door de beugel, maar het college heeft niet een zorgvuldig onderzoek verricht naar alle relevante feiten en omstandigheden, waaronder de reële kosten van een verhuizing van een gezin als dat van appellant. Dat is door het college hersteld; een verhuizing binnen de gemeente kost, inclusief het inpakken van alle spullen, in de situatie van appellant ongeveer € 1.300,- tot € 1.500,-. Uit de uitspraak blijkt overigens niet waar dit onderzoek op is gebaseerd.

3. Zoals gezegd gaat het geschil uitsluitend over de hoogte van de verhuis- en inrichtingskosten. Volgens appellant wordt met de door het college verstrekte verhuiskostenvergoeding van € 2.500,- geen passende bijdrage geleverd. Volgens hem onderbouwt het college op de eerste plaats al niet dat de uit het onderzoek gebleken kosten van verhuizen maximaal € 1.500,- bedragen, maar wordt er sowieso aan voorbij gegaan aan de inrichtingskosten die voortvloeien uit een verhuizing, zoals het aanschaffen van vloerbedekking en gordijnen. Appellant ondersteunt zijn standpunt met een offerte van een woninginrichter waaruit blijkt dat deze kosten voor de nieuwe woning op € 7.680,15 worden begroot.

4. Met deze beroepsgrond krijgt appellant de CRvB toch niet aan zijn zijde. De CRvB overweegt als eerste dat tussen partijen niet meer in geschil is dat een verhuisprimaat geldt. Dat is belangrijk omdat de bestuursrechter alleen hoeft te oordelen over het verstrekken van een verhuis- en inrichtingskosten als het primaat van verhuizen door de juridische beugel kan (vergelijk CRvB 22 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2602, <<USZ>> 2018/324, m.nt. M.F. Vermaat en I.M. Lunenburg). Wel haalt de CRvB de verplichting van het college aan zo-als opgenomen in de onder punt 1 aangehaalde uitspraak. Er geldt namelijk onverminderd dat een financiële maatwerkvoorziening een passende bijdrage moet leveren aan de zelfredzaamheid en participatie van de aanvrager. Het gaat erom dat de hoogte van het bedrag van een forfaitaire voorziening die zo ver afstaat van de werkelijke kosten van de compenserende maatregel, volgens de CRvB, geen passende bijdrage meer levert aan het verminderen of wegnemen van de gevolgen van de beperkingen en niet kan gelden als maatwerkvoorziening in de zin van art. 2.3.5 lid 3 Wmo 2015. Maar wanneer staat het bedrag van de verhuis- en inrichtingskosten daar te ver af van? Ook de hier opgenomen uitspraak geeft daar geen antwoord op.

5. Jammer genoeg blijkt uit de uitspraak namelijk niet dat de CRvB een oordeel heeft gegeven over het door het college uitgevoerde onderzoek naar de reële kosten van een verhuizing van een gezin als dat van appellant. Dit klemt temeer omdat het onduidelijk blijft op welke wijze de bestuursrechter de verstrekte forfaitere vergoeding toetst. Daarbij merk ik wel op dat aangenomen mag worden dat aan het college (enige) beoordelingsvrijheid toekomt in de wijze waarop het aanvragers compenseert in de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie (bijv. CRvB 18 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1402). Dat geldt ook voor de hoogte van de tegemoetkoming. Wat wordt wel duidelijk? Dat de onderbouwing van de grond dat door het college geen pas-sende bijdrage wordt geleverd concreet moet zijn. Een algemene offerte volstaat daartoe niet volgens de CRvB omdat daaruit niet blijkt dat is uitgegaan van de goedkoopst adequate oplossingen voor de inrichting van de woning in het individuele geval. Volgens de CRvB kan daarom niet worden gezegd dat het college met de forfaitaire vergoeding van € 2.500,- voor de verhuis- en inrichtingskosten in dit geval geen passende bijdrage heeft geleverd, als bedoeld in art. 2.3.5 lid 3 Wmo 2015. Al met al een toch wat onbevredigende uitspraak.

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*