De Rechtbank Gelderland pakt de draad op ná 18 mei

HBH-3De Rechtbank Gelderland oordeelt over een geschil waarbij het college op enig moment overgaat tot een toekenning van hulp bij het huishouden in natura waarbij de client samen met de aanbieder het uitvoeren van de noodzakelijke huishoudelijke werkzaamheden bepaalt (RBGELD:2016:2793). Daarbij voert belanghebbende onder meer aan dat met dat besluit onduidelijk blijft welke mate van huishoudelijke hulp hem is toegekend. De Rechtbank pakt de draad op waar de Raad op 18 mei jl. de richtinggevende uitspraken heeft gedaan voor de Wmo 2015. Zie ook RBGEL:2016:3030 en RBGEL:2016:3028 waar soortgelijke kwesties spelen. In deze zaak wijst de Rechtbank tevens de maximale dwangsom toe omdat het college pas op 23-02-2016 beslist op de aanvraag van 21-07-2015.

De feiten
Belanghebbende kent aanzienlijke fysieke beperkingen door een aantal lichamelijke aandoeningen. Aan hem is daarom huishoudelijke hulp toegekend, aanvankelijk voor 6,5 uren per week en nadien voor 4 uren per week. Belanghebbende doet op 11-11-2014 een aanvraag om verlenging van de huishoudelijke hulp. Bij besluit van 22-12-2014 beslist het college op deze aanvraag, in die zin dat belanghebbende tot en met 31-01-2016 ondersteuning in natura bij zijn huishouden krijgt. In dat besluit is vermeld dat de ondersteuning is gericht op de primaire leefruimtes, waarbij ten aanzien van het te bereiken resultaat is vermeld dat hij samen met zijn zorgaanbieder het uitvoeren van de noodzakelijke huishoudelijke werkzaamheden bepaalt.

Melding en aanvraag
Op 02-06-2015 meldt belanghebbende zich bij het college, als bedoeld in art. 2.3.2 lid 1 Wmo 2015,  welke zes weken later op 21-07-2015 is gevolgd door een aanvraag. In deze aanvraag is vermeld dat in de praktijk is gebleken dat het gevolg van het besluit van 22-12-2014 is dat belanghebbende maar 2 uren huishoudelijke hulp per week krijgt, in plaats van de eerder toegekende 4 uren en deze 2 uren te weinig is om het huis schoon te houden. Belanghebbende wenst daarom dat het college de toekenning van ondersteuning bij huishoudelijke hulp voor hem, herziet. Omdat niet op zijn aanvraag werd beslist, stuurt belanghebbende het college op 17-08-2015 een ingebrekestelling, alsmede een formulier dwangsom bij niet tijdig beslissen.

Huisbezoek
Op 22-10-2015 zijn medewerkers van het college, in het kader van de aanvraag van 21-07-2015, bij belanghebbende thuis geweest. Van dat bezoek is een rapport opgemaakt, gedateerd op dezelfde dag. In een brief van 5-11-2015 ((verzonden op 6-11-2015)) stelt het college, met verwijzing naar de melding van 2-6-2015 en de aanvraag van 21-07-2015, dat het huisbezoek van 22-10-2015 geen aanleiding geeft te veronderstellen dat de woning van belanghebbende niet schoon is.

Verantwoordelijkheid gemeenten
Op grond van de Wmo 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het ondersteunen van de zelfredzaamheid en participatie van mensen met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen. Deze ondersteuning moet er op zijn gericht dat mensen zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven.

Wettelijk kader
Art. 2.3.1 Wmo 2015 draagt het college op er zorg voor te dragen dat aan personen die daarvoor in aanmerking komen, een maatwerkvoorziening wordt verstrekt. Art. 2.3.5 lid 3 Wmo 2015 bepaalt dat het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in art. 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven

Gemeentelijk kader
Art. 1 aanhef en onder h van de Verordening bepaalt dat onder een maatwerkvoorziening een op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen wordt verstaan. ((een wettelijke definitie hoort niet thuis in de verordening)) In art. 11 lid 2 van de Verordening staat dat in de beschikking bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura in ieder geval wordt opgenomen:
a. welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is;
b. hoe de voorziening wordt verstrekt;
c. de ingangsdatum en duur van de verstrekking;
d. of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening; en
e. indien van toepassing: welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.

Toelichting
In de toelichting op art. 11 van de Verordening, onder het opschrift “Beschikking”, is opgenomen dat de cliënt op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie moet krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de cliënt goed en volledig informeert. In dit artikel zijn de essentialia opgenomen die in ieder geval in de beschikking moeten worden opgenomen.

Beleidsregels
Ingevolge art. 3.3 van de Beleidsregels is, voor zover hier van belang, voor huishoudelijke hulp bepaald dat de gemeente deze maatwerkvoorziening niet meer inzet op uren maar op het behalen van resultaten op het gebied van een gestructureerd huishouden. Van de aanbieder wordt gevraagd de zorg te leveren die noodzakelijk is, voor een gestructureerd huishouden. Dit betreft te allen tijde maatwerk. De cliënt betaalt een eigen bijdrage via het centraal administratiekantoor (CAK) aan de hand van de uren hulp die daadwerkelijk zijn ingezet om het resultaat te bereiken.
In het gespreksverslag stelt een lid van het sociaal team samen met de cliënt de resultaten vast die bereikt moeten worden via de in te zetten ondersteuning. Het gaat in ieder geval om het schoonhouden van de primaire leefruimtes zoals woonkamer, badkamer, keuken en slaapkamer en het mogelijk maken van de primaire levensbehoeftes. Deze resultaten worden vastgelegd in de beschikking en vormen de motivatie van de in te zetten ondersteuning.
Vervolgens bespreekt de aanbieder met de cliënt de wijze waarop de ondersteuning ingezet wordt om deze resultaten te kunnen behalen. De zorgaanbieder legt deze afspraken vast in een zorgovereenkomst. Voor afloop van de indicatie of bij veranderende omstandigheden stelt een lid van het sociaal team samen met de cliënt vast of alle in de beschikking gestelde resultaten zijn behaald en of de cliënt nog steeds ondersteuning nodig heeft, aldus artikel 3.3 van de Beleidsregels.

Onduidelijk besluit
Belanghebbende kan zich niet verenigen met het besluit van 23-02-2016 en voert aan dat ook met dat besluit onduidelijk blijft welke mate van huishoudelijke hulp hem is toegekend. Zijn woning is niet voldoende schoon, terwijl de hulp vaak al meer dan 2 uren per week werkt. In 2 uren per week kan zijn woning niet schoon worden gemaakt, zo stelt hij.

Afwijzing aanvraag
Het college wijst de aanvraag om meer ondersteuning bij huishoudelijke hulp af, omdat meer ondersteuning niet nodig is. Het te bereiken resultaat, een schoon en leefbaar huis, wordt immers bereikt. Dit volgt – volgens het college – uit het bezoek en rapport van 22-10-2015. Daarin wordt uiteengezet welke aandoeningen belanghebbende heeft en wat zijn partner alsmede Buurtzorg doet. Verder concludeert het college dat weinig tot geen stof is aangetroffen in woonkamer, slaapkamer, badkamer en het werkblad in de keuken schoon is aangetroffen, zodat de woning schoon en leefbaar is aangetroffen.

Standpunt college
De rechtbank leest de afwijzing als volgt. Het college stelt zich op het standpunt stelt dat belanghebbende met de toekenning van huishoudelijke hulp van 22-12-2014 voldoende gecompenseerd is in zijn beperkingen. Immers, het college stelt zich op het standpunt dat de woning schoon en leefbaar is.

Onvoldoende concreet
De rechtbank deelt dit standpunt niet. Toekenning van een maatwerkvoorziening in de vorm van te behalen resultaten (een schoon en leefbaar huis) is onvoldoende concreet om te kunnen vaststellen of deze resultaten kunnen gelden als een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, als bedoeld in art. 2.3.2 lid 3 Wmo 2015. Ook uit de toelichting bij art. 11 van de Verordening volgt dat een burger op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie verkrijgt die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen en dat hiervoor nodig is dat de beschikking de cliënt goed en volledig informeert.

Redactie. Weliswaar van vóór de uitspraken van de Raad van 18 mei jl. maar toch aardig om RBAMS:2016:1920 te lezen. Het college kent hulp bij het huishouden toe voor een ‘schoon en leefbaar huis’ in de vorm van ondersteuning in natura. Volgens het college heeft belanghebbende geen procesbelang omdat aan haar aanvraag is tegemoetgekomen: een schoon en leefbaar huis. De rechtbank stelt vast dat het college enkel een te bereiken resultaat toegekend, namelijk een ‘schoon en leefbaar huis’. De rechtbank constateert dat verweerder de wijze waarop dit resultaat kan worden bereikt heeft overgelaten aan de aanbieder. Deze heeft immers de afsprakenlijst opgesteld. De afsprakenlijst geeft concreet inzicht op welke wijze dit resultaat wordt bereikt. Op die lijst wordt aangegeven welke taken door de cliënt zelf, het netwerk of professionele hulp kunnen/moeten worden verricht. Zo blijkt onder andere uit de voor belanghebbende opgestelde afsprakenlijst dat bepaalde taken (zoals afwassen, bedden verschonen, de was doen, ophangen en opruimen) door het netwerk gedaan kunnen/moeten worden. De afsprakenlijst bepaalt dus feitelijk de mate van inzet van professionele hulp. De rechtbank acht deze gang van zaken in strijd met de Wmo 2015. Dit komt omdat het tot de kerntaak van het bestuursorgaan behoort om de rechten (en plichten) van de cliënt vast te stellen. Wat er voor nodig is om het resultaat ‘een schoon en leefbaar huis’ te bereiken is afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het individuele geval. Zie ook RBAMS:2016:2935.

Uitspraak Raad 18 mei jl. van toepassing
Dat kan naar het oordeel van de rechtbank alleen als de wijze waarop het resultaat moet worden bereikt wordt geconcretiseerd op een wijze die op basis van objectieve criteria kan worden getoetst. Uit CRVB:2016:1402 volgt dat concreet moet zijn:

  • welke activiteiten moeten worden verricht om het resultaat te bereiken,
  • hoeveel tijd daarvoor nodig is; en
  • met welke frequentie deze activiteiten moeten worden verricht.

Deze concretisering heeft niet plaatsgevonden. Het college had de aanvraag daarom niet mogen afwijzen op de grond dat het resultaat is bereikt. Het is immers niet duidelijk wat dat resultaat inhoudt.

Schoon huis?
Dat oordeel wordt nog versterkt door het volgende. De stelling van het college dat de woning schoon is aangetroffen wordt slechts gebaseerd op het niet dan wel nauwelijks aantreffen van stof en het aantreffen van een schoon keukenblad. Dat zijn volgens de rechtbank slechts enkele aspecten van een schoon en leefbaar huis. Dat blijkt ook uit het ondersteuningsplan dat is opgesteld ter uitvoering van de besluiten van het college over ondersteuning in de huishoudelijke hulp van belanghebbende. Dat is ook in overeenstemming met art. 3.3 van de Beleidsregels. Daarin staat dat in het gespreksverslag de resultaten vastgesteld worden die bereikt moeten worden via de in te zetten ondersteuning en dat deze resultaten worden vastgelegd in de beschikking en de motivering vormen van de in te zetten ondersteuning. De rechtbank overweegt nog dat het college zich ter zitting op het standpunt stelt dat de afspraken die belanghebbende in het ondersteuningsplan heeft gemaakt met de zorgaanbieder niet als (verlengde) besluitvorming van het college hebben te gelden.

Redactie. Tot 18 mei jl. oordeelde een aantal rechtbanken dat deze werkwijze tot verlengde besluitvorming moest leiden en belanghebbenden in voorkomende gevallen ontvankelijk zijn in bezwaar (RBROT:2015:2196, RBOBR:2015:3340 en RBOBR:2015:4313).

Onvoldoende gemotiveerd: gegrond beroep, vernietiging besluit
De rechtbank is aldus van oordeel is dat college onvoldoende motiveert waarom de ondersteuning die belanghebbende thans krijgt voldoende is om een leefbaar en schoon huis te bereiken. Het beroep is daarom gegrond en het besluit van 23-02-2016 komt voor vernietiging in aanmerking.

Zelf voorzien
De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien en overweegt daartoe als volgt. Uit de parlementaire geschiedenis van de Wmo 2015 volgt dat de verplichtingen die het college heeft bij het wegnemen van belemmeringen in de zelfredzaamheid als gevolg van belanghebbendes beperkingen zeker niet minder ver gaan dan de compensatieverplichting, als bedoeld in art. 4 Wmo 2007.

Kamerstukken
In de Nota naar aanleiding van het nader verslag is dit als volgt verwoord: “Dat de compensatieplicht van artikel 4 van de bestaande Wmo niet in dezelfde vorm terugkeert in het wetsvoorstel, betekent, zoals ik in de nota naar aanleiding van het verslag in antwoord op een vraag van de leden van de fractie van het CDA uitvoerig heb onderbouwd, op geen enkele manier dat het wetsvoorstel de burgers minder rechtszekerheid biedt over de ondersteuning waarop zij van de kant van de gemeente kunnen rekenen. Het college is en blijft nadrukkelijk gebonden aan de wettelijke verplichting (art. 2.3.5 lid 3 en 4) om iemand van wie wordt vastgesteld dat hij niet op eigen kracht of met hulp van naasten en algemene voorzieningen in staat is tot zelfredzaamheid en participatie, een passende maatwerkvoorziening toe te wijzen.” (…) “De verplichtingen van het wetsvoorstel gaan echter zeker niet minder ver dan de compensatieverplichting van artikel 4 Wmo.” (TK 33 841, nr. 64, p. 3-4).

Geen gewijzigde omstandigheden
De rechtbank ziet daarom, nu bij belanghebbende verder geen sprake is van gewijzigde omstandigheden, aanleiding om hem huishoudelijke hulp toe te kennen in dezelfde omvang als hij had onder de werking van de Wmo 2007, te weten vier uren huishoudelijke hulp per week. Dat betekent dat het college geen besluit meer hoeft te nemen op de aanvraag van belanghebbende. Dat doet de rechtbank zelf.

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*