Renovatie badkamer is algemeen gebruikelijk

De Rechtbank ‘s-Gravenhage oordeelt in deze zaak over de weigering van een aanvraag om een voorziening in de vorm van het verwijderen van een bad en het realiseren van een douchegelegenheid en aanpassingen in het toilet.1

Waar gaat het om?
Belanghebbende woont met haar echtgenoot in een gelijkvloerse woning, die het eigendom is van hen. Belanghebbende is sinds 1996 bekend met een reumatoïde artritis en door een ongeval heeft zij last van haar knieën. Voor het gebruik van het bad maakt belanghebbende sinds 2001 gebruik van een badplank. Gelet op de beperkingen is zij thans echter niet meer in staat om haar benen over de badrand heen te tillen.

Advies
Het college vraagt om advies. Daaruit blijkt dat vervanging van het bad en het creëren van een gelijkvloerse douche wordt geadviseerd. Tevens is een verhoogd toilet met een handgreep geadviseerd. Laatstgenoemde voorziening wordt – naar oordeel van de rechtbank – terecht afgewezen omdat een losse toiletverhoger belanghebbende voldoende compenseert.

Weigering aanvraag
Het college weigert de aanvraag voor vervanging van het bad en handhaaft dat besluit in bezwaar. Daaraan ligt ten grondslag dat de gevraagde voorziening algemeen gebruikelijk is voor de persoon van de aanvrager. Het bad in de badkamer is ten minste 29 jaar oud en het college stelt dat het daarmee is afgeschreven. Vervanging van het bad is – aldus het college – een algemeen gebruikelijke renovatie. Daarmee komen de kosten voor het verwijderen van het bad en het plaatsen van inloopdouche niet voor vergoeding in aanmerking.

Oordeel rechtbank
De rechtbank acht dit standpunt – gelet op de ouderdom van het bad – niet onredelijk. De ouderdom van het bad wordt niet betwist. Dat het aanwezig bad nog functioneel is doet niet af aan het standpunt van renovatie gelet op het tijdsverloop en de afschrijftermijn. De rechtbank stelt dat het college rekening heeft mogen houden een afschrijving van de voorzieningen in de badkamer afhankelijk van de algemeen gebruikelijke levensduur. Bij het vaststellen van een afschrijvingspercentage heeft het college – naar oordeel van de rechtbank – in redelijkheid aansluiting kunnen zoeken bij de termijnen die worden gehanteerd in het Beleid huurverhoging na woningverbetering van de vereniging Overleg voorzitters huurcommissies. In dat beleid staat dat badkamers in beginsel na twintig jaar volledig zijn afgeschreven. Niet valt in te zien waarom deze termijn ook niet zou gelden voor badkamers in een eigen woning.

De rechtbank neemt bij het oordeel over de weigering nog het volgende in aanmerking. Het college stelt zich op het standpunt dat belanghebbende in staat wordt geacht zelf te kunnen voorzien in de met de vervanging van het bad gemoeide kosten gelet op hun inkomen. Dit standpunt wordt door belanghebbende niet bestreden. Opgemerkt wordt dat – logischerwijs – uit de uitspraak dan ook niet blijkt hoe hoog het inkomen van belanghebbende en haar echtgenoot dan is.
Hoewel de adviseur van het college vervanging van het bad adviseert, kan niet worden gesteld dat het college onvoldoende motiveert waarom het afwijkt van het advies.

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies


  1. Rechtbank ‘s-Gravenhage 07-03-2012, nr. AWB 11/4293, niet gepubliceerd op rechtspraak 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*