Centrale Raad: verhuizen naar ongeschikte woning

Logo_rechtspraakDe CRvB oordeelt in deze zaak over de weigering van een aanvraag om een financiële tegemoetkoming voor de aanpassing van de woning (CRVB:2012:BY5215).

Bij belanghebbende is de progressieve neurologische ziekte Primaire Laterale Sclerose (PLS) gediagnosticeerd. Hij woonde met zijn gezin in een aan zijn te verwachten beperkingen aangepaste dijkwoning in de gemeente A. Medio 2008 besluit belanghebbende naar Groningen te verhuizen omdat hij en zijn gezin daar terug kunnen vallen op een groot sociaal netwerk dat de nodige mantelzorg kan leveren. In juni 2008 tekent belanghebbende het (voorlopig) koopcontract voor een huis met twee verdiepingen in gemeente B. Belanghebbende is voornemens de benedenverdieping uit te bouwen en vraagt daarvoor een bouwvergunning aan bij de gemeente Winsum. Deze verbouwing en eventuele benodigde aanpassingen in het huis, zoals een traplift, wilde hij bekostigen met de overwaarde die de verkoop van de woning in gemeente A zal opleveren. Door de crisis in de huizenmarkt laat die verkoop lang op zich wachten en levert de woning uiteindelijk veel minder op dan verwacht. Belanghebbende trekt de aanvraag voor de bouwvergunning in omdat deze niet (meer) uit eigen middelen bekostigd kon worden.

Vanaf ongeveer augustus 2008 verslechterde het ziektebeeld van belanghebbende sneller dan verwacht. In december 2008 dient hij bij het college een aanvraag in voor onder meer een financiële tegemoetkoming in de aanpassing van de woning in gemeente B. Bij het huisbezoek van de medisch adviseur van het college in februari 2009 bleek dat de verbouwing van de benedenverdieping, waarbij de inpandige garage werd omgebouwd tot een rolstoelgeschikte slaap- en badkamer, al in gang was gezet.

Weigering aanvraag
Het college weigert de aanvraag en handhaaft dat besluit in bezwaar. Aan het primaire besluit ligt ten grondslag dat belanghebbende zonder overleg met het college de woning heeft gekocht en hij zonder goedkeuring van het college is begonnen met de woningaanpassing. In de beslissing op bezwaar overweegt het college dat belanghebbende niet is verhuisd naar een op dat moment meest geschikte woning, terwijl er ook geen voorafgaande toestemming van het college was.

Overwegingen rechtbank
De rechtbank overweegt in de aangevallen uitspraak het volgende (waarbij voor eiser appellant en voor verweerder het college moet worden gelezen):

“Op 21 juni 2007 heeft eiser bij de gemeente Moerkapelle een aanvraag ingediend voor een aantal voorzieningen waaronder een traplift, een aanpassing van de badkamer en het verbeteren van de toegankelijkheid van de woning. In het CIZ-advies dat naar aanleiding van die aanvraag is opgemaakt, staan een aantal aanbevelingen voor aanpassing van de woning, doch tevens is aangegeven dat ook gekozen zou kunnen worden voor verhuizing naar een andere (meer) geschikte woning, waarbij een globaal programma van eisen gevoegd is voor een nieuw te zoeken woning. De woning waar eiser thans naar toe is verhuisd is wellicht geschikter dan de dijkwoning waarin hij eerder woonde, doch dat maakt nog niet dat de woning in [gemeente A] moet worden aangemerkt als de op dat moment voor zijn beperkingen meest geschikte woning. Eiser was op het moment van de aankoop van de woning reeds ziek en het betreft een ziekte die een progressief verloop kent. Dat het verloop van eisers ziekte veel progressiever heeft plaatsgevonden dan door eiser was ingecalculeerd en dat de ziekte mogelijk een veel progressiever verloop had dan het “normale” verloop, zoals eiser stelt, is buitengewoon schrijnend te noemen, doch maakt niet dat om die reden de gevraagde vergoeding ten onrechte is geweigerd. Ten tijde van de aankoop van de woning in [gemeente B] wist eiser dat hij leed aan een progressieve ziekte en wist hij dat in elk geval op termijn een aantal aanpassingen aan de woning zouden moeten plaatsvinden omdat de woning niet gelijkvloers was. Dat eiser de woning desondanks heeft gekocht vanuit de gedachte dat hij de aanpassingen aan de woning op termijn zelf zou financieren, is weliswaar begrijpelijk maar daarmee heeft eiser wel een risico genomen, zowel wat betreft het verwachte verloop van de ziekte als wat betreft de economische ontwikkelingen op de huizenmarkt. Daarbij komt dat niet is gesteld en de rechtbank niet is gebleken dat ten tijde van de aankoop van de huidige woning in [gemeente B] in de directe omgeving van die woning niet gelijktijdig een woning beschikbaar zou zijn gekomen die gelet op eisers (toekomstige) beperkingen en belemmeringen voor hem geschikt zou zijn geweest. De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat verweerder heeft kunnen komen tot het oordeel dat eiser, gelet op zijn beperkingen, niet de voor hem meest geschikte woning heeft gekocht.”

Hoger beroep
Belanghebbende komt in hoger beroep en voert aan dat op het moment van aankoop van de woning in gemeente B, deze woning met kleine, relatief goedkope aanpassingen zoals een traplift, was aan te passen aan zijn beperkingen. De in eind 2008 optredende snelle verslechtering van zijn gezondheidstoestand was atypisch en niet te voorzien. Bij PLS gaat de achteruitgang normaliter heel geleidelijk. Belanghebbende stelt te voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een woningaanpassing. Subsidiair doet belanghebbende een beroep op de hardheidsclausule.

Het college stelt zich op het standpunt dat belanghebbende zich vóór de aankoop van de woning in gemeente B tot de gemeente had moeten wenden voor overleg over de alternatieven. In zijn geval zou de aankoop van een geheel gelijkvloerse woning voor de hand hebben gelegen. De gemeente verwerpt het beroep op de hardheidsclausule omdat niet gebleken noch gesteld is dat bij weigering van de aanvraag sprake zou zijn van onbillijkheden van overwegende aard.

Het oordeel van de Raad
De CRvB oordeelt als volgt. In wat in hoger beroep – bij wijze van herhaling van het gestelde in eerste aanleg – is aangevoerd noch anderszins in de voorhanden gegevens vindt de CRvB aanknopingspunten om in een andere zin dan de rechtbank te oordelen. De CRvB onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en voegt daar nog het volgende aan toe.

Onder de gedingstukken bevindt zich het dossier over de door belanghebbende in gemeente A in 2007 en 2008 ingediende aanvragen op grond van de Wmo. In het door de adviseur opgesteld ‘Globaal Programma van Eisen nieuw te zoeken woning WMO’ van 3 september 2007, staat dat de woning in gemeente A weliswaar nog aan te passen is met een stoellift, maar dat het bij aankoop van een nieuwe/andere woning zou moeten gaan om een gelijkvloerse woning zonder niveauverschillen. Verder is in het advies van Argonaut, opgesteld in oktober 2007 naar aanleiding van in april 2007 ingediende aanvragen, al geconstateerd dat belanghebbende niet of nauwelijks kon traplopen. Tot slot is in een rapport van de Afdeling Sociale Zaken van de gemeente A van 6 juni 2008, opgemaakt naar aanleiding van een in april 2008 door belanghebbende ingediende aanvraag voor een elektrische rolstoel, vermeld dat (toen al) sprake was van een snellere achteruitgang van het ziektebeeld van belanghebbende en dat hij op de langere termijn niet in staat zou zijn van een stoellift gebruik te maken.

Onder deze omstandigheden mocht het college zich op het standpunt stellen dat van belanghebbende verlangd had mogen worden dat hij zijn inspanningen had gericht op het verkrijgen van een gelijkvloerse woning en dat hij zich in een zo vroeg mogelijk stadium met de gemeente in verbinding had gesteld opdat in gezamenlijk overleg bezien had kunnen worden welke voorziening in het geval van belanghebbende de goedkoopst adequate was. De CRvB onderschrijft dan ook het oordeel van de rechtbank dat de aanvraag op grond van het bepaalde in de Verordening terecht is afgewezen. Ten slotte stelt de CRvB zich achter de overwegingen van de rechtbank die hebben geleid tot het oordeel, dat niet is gebleken dat toepassing van de Verordening in dit geval leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.

Zie ook
CRVB:2013:1809 waarin de CRvB oordeelt dat het college terecht aan belanghebbende tegenwerpt dat zij is verhuisd van een passende benedenwoning naar een etagewoning die niet is aangepast aan haar beperkingen. Hoewel het niet onvoorstelbaar is dat belanghebbende zich onveiliger voelde in de benedenwoning na de (poging tot) inbraak is dat nog geen reden om, zonder het college daar van te voren over te informeren, een niet passende bovenwoning te betrekken en te verwachten dat het college dan vervolgens alle noodzakelijke aanpassingen te verstrekken. Ook blijkt dat belanghebbende en haar echtgenoot al 2,5 jaar ingeschreven staan en 15 keer een passende woning hebben geweigerd.

© Ingeborg Lunenburg opleiding + advies

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

*