Annotatie USZ: in redelijke mate participeren, daar is geen duofiets voor nodig

CRVB:2026:949

Verschenen in USZ 2026/208 (Sdu Uitspraken Sociale Zekerheid)

Inhoudsindicatie
Afwijzing maatwerkvoorziening Wmo 2015 in de vorm van een duofiets. Het college heeft zorgvuldig onderzoek verricht en kon terecht afzien van aanvullend medisch onderzoek. Appellante kan, met gebruikmaking van haar eigen mogelijkheden en de hulp van haar vader en familie in redelijke mate participeren en wezenlijke sociale contacten onderhouden, zodat geen aanspraak bestaat op een duofiets als maatwerkvoorziening.

Noot I.M. Lunenburg

  1. De Wmo 2015 is geen voorzieningenwet maar een wet die een voorzieningenstelsel bevat.[1] Er wordt namelijk niet beschreven op welke maatwerkvoorzieningen aanspraak bestaat, maar wel welk te bereiken resultaat het college in acht moet nemen op basis van een voorgeschreven onderzoek (zie hierna). Verder is (onder meer) opgenomen wat onder maatschappelijke ondersteuning en een maatwerkvoorziening wordt verstaan (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). De te treffen maatwerkoplossing kan heel divers van aard zijn. Er bestaat dus niet één oplossing; er kunnen meerdere wegen naar Rome leiden.[2] Een cliënt kan niet direct een aanvraag doen maar meldt zich bij het college met een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning waarna het college een onderzoek moet doen (art. 2.3.2 lid 1 Wmo 2015). Bij de beslissing op de aanvraag moet het college bezien of iemand met een beperking, chronisch psychische of psychosociale problemen een maatwerkvoorziening nodig heeft om hem in staat te stellen tot zelfredzaamheid of participatie. Rekening houdend met de uitkomsten van het hiervoor genoemde onderzoek (art. 2.3.5 lid 3 Wmo 2015). Claimgerichte meldingen komen ook voor. Dat wil zeggen, een cliënt meldt zich met het verzoek om in aanmerking te komen voor een door hem of haar gekozen maatwerkvoorziening waarmee de problemen in de zelfredzaamheid of participatie worden opgelost. Nadat de aanvraag is ingediend zal het college in het besluit moeten motiveren of het wel of juist niet tegemoetkomt aan dat verzoek. De keuze van de cliënt voor een bepaalde maatwerkvoorziening is een persoonskenmerk en voorkeur als bedoeld in art. 2.3.2 lid 4 onder a Wmo 2025. In de hier opgenomen uitspraak wijst het college de door appellante gewenste maatwerkvoorziening in de vorm van een duofiets af. De uitspraak is het bespreken waard omdat de CRvB nog eens ingaat op het criterium op grond waarvan het college dat moet doen.
  2. Welk onderzoek het college moet doen voordat het een besluit neemt is door de CRvB in 2018 uiteengezet in de stappenplanuitspraak.[3] Daarbij is ook geoordeeld dat, voor zover het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist, een specifiek deskundig oordeel en advies niet zullen kunnen ontbreken. De stelling van appellante dat het college onzorgvuldig onderzoek heeft verricht, slaagt niet. Ter onderbouwing daarvan heeft zij een brief van de psycholoog en een diagnostisch onderzoek ingebracht. Dat mag ook niet baten. Want de medische situatie en beperkingen van appellante zijn niet in geschil. En de CRvB overweegt dat uit de ingebrachte stukken niet blijkt dat het verslag van het onderzoek een onjuist of onvolledig beeld geeft van de (medische) situatie van appellante. Waar is de afwijzing van de duofiets op gebaseerd?
  3. Het college baseert de afwijzing op de eigen kracht van appellante (art. 2.3.5 lid 3 Wmo 2015). Uit onderzoek is gebleken dat zij met haar vader, lopend of met de auto gebracht door haar familieleden alle voor haar relevante bestemmingen kan bereiken. Ook zonder duofiets is appellante in staat om wezenlijke sociale contacten te onderhouden en deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer. Daarmee is sprake van aanvaardbare maatschappelijke participatie, aldus het college. Volgens appellante is de duofiets noodzakelijk als vervoersvoorziening. Zowel de rechtbank als de CRvB komen tot het oordeel dat de voor appellante beschikbare mogelijkheden voorzien in de vervoersbehoefte. Dat daarmee niet alle door haar gewenste bestemmingen kunnen worden bereikt, doet daar niet aan af. Dat alles is vaste rechtspraak (zie verder punt 5).[4] Maar appellante voert ook aan dat zij de duofiets nodig heeft voor recreatieve doeleinden, zoals een fietstocht in het bos. Valt dat binnen de reikwijdte van de Wmo 2015?
  4. Het college stelt zich op het standpunt dat activiteiten die primair recreatief of ontspanningsgericht zijn buiten de Wmo 2015 vallen. Deze opvatting volgt de CRvB niet. Want daarmee miskent het college de betekenis van art. 2.3.5 lid 3 Wmo 2015. Uit deze bepaling vloeit voort dat, in geval van in die bepaling genoemde beperkingen en onder de daar vermelde voorwaarden, het college een maatwerkvoorziening verstrekt waarmee een passende bijdrage wordt geleverd aan de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt.

In 2023 kwam de CRvB tot eenzelfde overweging als een therapeutische doelstelling van de gevraagde maatwerkvoorziening ten grondslag ligt aan de afwijzing van de aanvraag.[5] De grond dat een maatwerkvoorziening een positief effect heeft op de gezondheid, door in de buitenlucht te verblijven of te werken aan de conditie, is voor de Wmo 2015 overigens niet relevant.[6] Hoewel het college een onjuiste maatstaf heeft aangelegd bij de beoordeling of appellante is aangewezen op een duofiets, heeft het geen gevolgen. De bestreden uitspraak blijft in stand. Want uit het dossieronderzoek blijkt dat appellante ook zonder duofiets in redelijke mate kan participeren, aldus de CRvB. Stellingen van appellante waarom dat niet voor juist gehouden moet worden zijn niet onderbouwd dan wel aannemelijk gemaakt.

  1. Een opmerking ter afronding. Ik was blij te lezen dat de CRvB niet het begrip aanvaardbare maatschappelijke participatie gebruikt, zoals het college dat heeft gedaan in de besluitvorming. Ik neem aan dat het college zich baseert op een uitspraak van de CRvB uit 2012 waarin dat werd gebruikt.[7] We zien dat niet meer terug in de huidige rechtspraak van de CRvB. Aanvaardbaar lijkt een arbitraire norm en sluit niet (goed) aan bij wat de wetgever voor ogen stond.[8] Uit art. 1.2.1 onder a Wmo 2015 volgt dat het gaat om de beoordeling of een betrokkene voldoende zelfredzaam is of in staat is tot participatie. De Wmo 2015 is niet gericht op het optimaliseren van de situatie. De gevraagde ondersteuning moet in een redelijke verhouding staan tot wat de situatie van de cliënt was voor hij ondersteuning nodig had.[9] Dit naar oordeel van het college (art. 2.3.5 lid 3 Wmo 2015). De bestuursrechter beoordeelt of het college binnen een redelijke wetsuitleg is gebleven. Daaronder valt ook het standpunt dat er alternatieven zijn om te kunnen recreëren, ook zonder duofiets.[10]

Yes, handgeschreven; zonder AI 🙂

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies

[1] CRvB 22 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2602, <<USZ>> 2018/324, m.nt. M.F. Vermaat, I.M. Lunenburg.
[2] Kamerstukken II 2013/14, 33841, nr. 3, p. 149.
[3] CRvB 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819, <<USZ>> 2018/161, m.nt. M.F. Vermaat.
[4] Bijv. CRvB 26 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:224, <<USZ>> 2022/54.
[5] CRvB 23 februari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:349, <<USZ>> 2023/87, m.nt. C.W.C.A. Bruggeman.
[6] CRvB 21 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2644, CRvB 31 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1446.
[7] CRvB 15 februari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV5448.
[8] Kamerstukken II 2013/14, 33841, nr. 3, p. 123.
[9] Kamerstukken II 2013/14, 33841, nr. 3, p. 149.
[10] CRvB 12 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2415.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*