Annotatie USZ: verordening jeugdhulp voldoet aan de eisen

CRVB:2026:789

Verschenen in USZ 2026/193 (Sdu Uitspraken Sociale Zekerheid)

Inhoudsindicatie
Deze zaken gaan over voorzieningen voor jeugdhulp die ouders aan appellanten geven. In een eerdere uitspraak heeft de Raad onder meer geoordeeld dat de Verordening 2018 niet tegemoetkomt aan de eisen van rechtszekerheid en voorspelbaarheid en dat deze Verordening daarom niet aan de beslissingen over de jeugdhulp ten grondslag kon worden gelegd. De ter uitvoering van die uitspraak genomen besluiten zijn gebaseerd op de Verordening 2025. De Raad oordeelt dat het college met die besluiten op een juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de eerdere uitspraak.

Noot I.M. Lunenburg

  1. Menigeen heeft reikhalzend uitgezien naar de hier opgenomen uitspraak. Waarom? Het is een vervolg op de drie uitspraken van de CRvB uit 2024 (hierna: de 2024-uitspraken).[1] In die uitspraken oordeelde de CRvB, kort gezegd, dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen bedoeld in art. 2.3 lid 1 Jw toegangscriteria tot jeugdhulp zijn. En dat daarover, gelet op de opdracht van art. 2.9 Jw, in de verordening een sluitend beoordelingskader met afwegingsfactoren moet zijn opgenomen. In deze noot ga ik in op wat wordt verstaan onder de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen (hierna: eigen kracht) en wat het oordeel is van de CRvB over de (nieuwe) verordening.
  2. Tot 2024 had, voor zover bij mij bekend, geen enkele gemeente een sluitend beoordelingskader met afwegingsfactoren over eigen kracht opgenomen in de verordening. Dat gold ook voor de gemeente in de hier opgenomen uitspraak. De CRvB oordeelde in 2025 dat de verordening niet voldeed aan de eisen van art. 2.9 Jw zoals nader uitgelegd in de 2024-uitspraken.[2] In de meeste verordeningen werd volstaan met een herhaling van wettelijke bepalingen soms aangevuld met de begrippen gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp, vaak zonder duiding wat daaronder werd verstaan. In de Jeugdwet en de wetsgeschiedenis komen deze begrippen overigens niet voor. Met de 2024-uitspraken werd duidelijk dat gemeenten hun verordening moesten aanpassen. Maar niet wat nu precies binnen de door de CRvB geschetste verordenende bevoegdheid valt. Wat heeft de wetgever beoogd met eigen kracht? In de wetgeschiedenis zijn aanknopingspunten te vinden die door de CRvB ook zijn aangehaald in de 2024-uitspraken. “De verantwoordelijkheid van de ouders voor het gezond en veilig opgroeien van hun kinderen is geregeld in de artikelen 82 en 247 van het Boek 1 van het BW. Het moet voor ouders en professionals vanzelfsprekend zijn dat ouders zelf de regie nemen en houden over de opvoeding van hun kinderen (tenzij dit een onverantwoord risico voor het kind oplevert). Dat vraagt een vraaggerichte houding van hulpverleners, waarbij uitgegaan wordt van de eigen kracht van jongeren en ouders en het besef dat zij verantwoordelijk zijn voor zichzelf en, in het geval van ouders, ook voor hun kinderen. Hierop zijn zij ook aanspreekbaar.”[3] “In zijn algemeenheid ligt de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf. Deze verplichting voor ouders is terug te zien in de artikelen 82 en 247 van Boek 1 van het BW. Het moet voor ouders en professionals dan ook vanzelfsprekend zijn dat ouders zelf de regie nemen en houden over de opvoeding van hun kinderen. De overheid dient ervoor te waken de zorgtaken van mensen en hun verbanden over te nemen. Ze komt pas in beeld als de ouders problemen ondervinden, als de opvoeding- en leefsituatie de ontwikkeling van kinderen bedreigt en de overheid de ouders dient te helpen om deze voorwaarden te vervullen of als de jeugdige verdacht wordt of veroordeeld is voor een strafbaar feit.”[4]
  3. Hoe oordeelt de CRvB over het kader van art. 2.9 Jw dat is opgenomen in de verordening? De verordening kent een algemene bepaling die, kort gezegd, inhoudt dat jeugdigen of ouders pas in aanmerking komen voor individuele jeugdhulp als de eigen kracht onvoldoende is. Verder bepaalt de verordening wat onder eigen kracht wordt verstaan. Het begrip bestaat uit vier elementen: gebruikelijke hulp, bovengebruikelijke hulp, hulp geboden door het sociaal netwerk en het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten. Bij elk van de elementen zijn afwegingsfactoren voorgeschreven over hoe het college beoordeelt of sprake is van eigen kracht. Dat wil zeggen volgens een vast kader maar de uitkomst is afhankelijk van de individuele situatie. De zogeheten zorgplicht van ouders op grond van het BW wordt in de verordening niet genoemd. Maar volgens de CRvB blijkt uit de tekst van de verordening dat rekening is gehouden met het bepaalde uit het BW over de plicht van ouders hun kinderen te verzorgen en op te voeden. De CRvB komt tot het oordeel dat in de verordening voor de criteria van eigen kracht voldoende uitwerking is gegeven aan art. 2.9 Jw.
  4. Over één afwegingsfactor is nog niet duidelijk of het onderdeel kan zijn van eigen kracht. Het heeft betrekking op het ontstaan van de financiële problemen bij ouders. De CRvB komt niet toe aan een overweging omdat er in de casus geen financiële problemen waren gesteld noch gebleken. In 2021 oordeelde de CRvB dat de eigen kracht geen ruimte biedt voor de beoordeling van financiële draagkracht van een gezin om zelf jeugdhulp te verlenen.[5] Ik stel me op het standpunt dat deze uitspraak, ook ná de 2024-uitspraken, zijn gelding behoudt. Want de toets op enkel een toereikend inkomen van ouders, vindt in de tekst noch in de geschiedenis van totstandkoming van de Jeugdwet steun. Aldus de CRvB in de uitspraak uit 2021. Hoe pakte de hier opgenomen uitspraak uit voor appellanten?
  5. Appellanten hebben drie kinderen met elk een vastgestelde behoefte aan jeugdhulp. Het college heeft, met inachtneming van de (nieuwe) verordening, vastgesteld dat ouders bovengebruikelijke hulp bieden met een totale omvang van ruim 56 uur per week. De vaststelling berust mede op een deskundigenadvies. Daaruit blijkt niet dat er problemen zijn bij het kunnen verlenen van de bovengebruikelijke hulp, bij de beschikbaarheid van ouders voor het verlenen van de hulp en de belasting van de ouders.
  6. Tot slot. Met de hier opgenomen uitspraak weten we welke criteria en afwegingsfactoren een voldoende uitwerking zijn van art. 2.9 Jw. Zouden andere criteria en/of afwegingsfactoren ook kunnen volstaan? Dat verwacht ik zeker wel. Zolang in de verordening een duidelijke hoofdrichting is neergelegd voor de betekenis van eigen kracht. En in de verordening duiding wordt gegeven aan de betekenis van de ouderlijke verzorgings- en opvoedingsplicht die voortvloeit uit het BW. Maar ik verwacht ook dat de strekking van het beoordelingskader en afwegingfactoren niet veel zal verschillen. In de kern komt het neer op het kunnen bieden van de hulp in de zin van beschikbaarheid en capaciteiten van ouders en belasting die dat voor ouders mee kan brengen. Ik verwacht eerder problemen bij het toepassen van de afwegingsfactoren (de conclusie). Interessant is nog de vraag of het college een extern deskundige om advies moet vragen.

[1] CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1095, <<USZ>> 2024/221, m.nt. R. Imkamp, CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1096, CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1097.
[2] CRvB 6 maart 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:408.
[3] Kamerstukken II 2012/13, 33684, nr. 3, 19-20.
[4] Kamerstukken II 2012/13, 33684, nr. 3, p. 128.
[5] CRvB 26 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1327, <<USZ>> 2021/268, m.nt. J.C. de Wit, E.M. Linthorst.

Yes, handgeschreven; zonder AI 🙂

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*