Verschenen in USZ 2026/181
Inhoudsindicatie
Bron: Persbericht CRvB 21 mei 2026
Gemeenten zijn in zeer uitzonderlijke gevallen verplicht om de kosten van een psychiatrische hulphond te vergoeden via de Wmo 2015. Dat heeft de Centrale Raad van Beroep bepaald in drie gelijktijdig behandelde uitspraken (CRVB:2026:618, CRVB:2026:620, CRVB:2026:621). Drie mensen met een psychiatrisch ziektebeeld vroegen hun gemeente een vergoeding voor de aanschaf en/of opleiding van een hulphond. Zorgverzekeraars vergoeden dit type hulphond niet. Dat is een bewuste keuze van de wetgever. De vraag was of gemeenten dan via de Wmo moeten bijspringen.
Noot I.M. Lunenburg
- In de hier opgenomen uitspraak oordeelt de CRvB over de afwijzing van een aanvraag om een maatwerkvoorziening voor de aanschaf en de opleiding van een hond tot hulphond (hierna: psychiatrische hulphond).[1] De uitspraak is een vervolg op de uitspraken uit 2024 (hierna: de 24-uitspraken) over psychiatrische hulphonden.[2] In de 24-uitspraken heeft de CRvB vastgesteld dat gemeenten niet verplicht maar wel bevoegd zijn om een (opleiding tot) psychiatrische hulphond te verstrekken als dat als meest aangewezen wordt ervaren. In die uitspraken heeft de CRvB verder geoordeeld dat als gemeenten niet overgaan tot verstrekking, de grondslag voor de afwijzing van de aanvraag gebaseerd is op de eigen kracht als bedoeld in art. 2.3.5 lid 3 Wmo 2015. In deze noot ga ik in op de vraag of de CRvB bij dat standpunt blijft (punten 2 en 3). En op de vraag wanneer gemeenten verplicht zijn een (opleiding tot) psychiatrische hulphond te verstrekken (punt 4).
- Dat de term eigen kracht de toepasselijke grondslag is voor de afwijzing van een (opleiding tot) psychiatrische hulphond heeft alles te maken met de juridische betekenis van de afbakening tussen de Wmo 2015 en de Zorgverzekeringswet (Zvw). In 2023 oordeelde de CRvB voor het eerste over de vraag hoe de Wmo 2015 zich verhoudt tot andere wetten, waaronder de Zvw.[3] Zowel in de Wmo 2015 als de Zvw ontbreekt een bepaling waarin de afbakening wordt geregeld. Dat was anders in de Wmo die tot 2015 gold. Die wet regelde in art. 2 die afbakening wel. Kort gezegd hield deze in: geen aanspraak op maatschappelijke ondersteuning voor zover er een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat. Volgens de CRvB heeft de wetgever in de Wmo 2015 op dit punt echter geen andere keuze willen maken. Integendeel zelfs. Dat leidt de CRvB af uit het nader rapport bij het wetsvoorstel Wmo 2015: “De gemeente is niet gehouden iemand ondersteuning te bieden, voor zover zijn probleem kan worden opgelost door gebruik te maken van zorg waarop hij ingevolge een andere wet, in casu de Zvw, aanspraak maakt; dat is niet anders dan onder de huidige Wmo”.[4] Het kan gaan om twee situaties. Als eerste de keuze van de wetgever om slechts in een gedeeltelijke vergoeding van de kosten te voorzien.[5] En als tweede de bewuste keuze van de wetgever om bepaalde kosten in het geheel niet voor vergoeding in aanmerking te brengen. En ook in dat geval mogen gemeenten de eigen kracht als bedoeld in art. 2.3.5 lid 3 Wmo 2015 toepassen als afwijzingsgrond, wetende dat een beroep doen op de Zvw tot niets zal leiden. Volgens de CRvB mogen gemeenten aansluiten op de keuze die de wetgever heeft gemaakt.[6]
- Voor psychiatrische hulphonden zoals in de hier opgenomen uitspraak staat vast dat de wetgever een bewuste keuze heeft gemaakt om deze niet te vergoeden op grond van de Zvw. In een Kamerbrief stelt de Minister voor Langdurige Zorg en Sport dat de effectiviteit van deze hulphonden (nog) onvoldoende wetenschappelijk is bewezen. Daarmee wordt niet voldaan aan de stand van wetenschap en praktijk.[7] In een latere Kamerbrief reageert de minister op een aan de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport gestuurde burgerbrief. In die Kamerbrief staat, kort gezegd, dat het niet de bedoeling is dat gemeenten op grond van de Wmo 2015 een (psychosociale) hulphond bij voorbaat afwijzen. Het is namelijk ook afhankelijk van de ondersteuningsbehoefte van een cliënt, aldus de minister.[8] Het betoog van appellanten (de erven van) dat de door betrokkene gevraagde voorziening niet onder de Zvw zou kunnen vallen wordt door de CRvB niet gevolgd. Volgens de CRvB duiden de onder dit punt aangehaalde Kamerbrieven van de minister juist op het tegendeel.
- Wanneer is een gemeente verplicht een psychiatrische hulphond te verstrekken? Met de 24-uitspraken leek het niet (verplicht) hoeven verstrekken van psychiatrische hulphonden op grond van de Wmo 2015 definitief beslecht. Maar de hier opgenomen uitspraak biedt toch een opening in zeer uitzonderlijke gevallen. Aan de bevoegdheid (beleidsvrijheid) van gemeenten om een psychiatrische hulphond te verstrekken voegt de CRvB twee cumulatieve voorwaarden toe: 1. een cliënt is zeer ernstig beperkt in zijn zelfredzaamheid of maatschappelijke participatie, én 2. het staat onomstotelijk vast dat een hulphond de enige resterende oplossing is. Wordt aan beide voorwaarden voldaan? Dan is dat een zeer uitzonderlijk geval op grond waarvan de gemeente verplicht is om de vergoeding toe te kennen. Deze verplichting is nieuw. Niet duidelijk wordt wat onder zeer ernstig beperkt kan worden verstaan. Hoe het ook zij, de zeer ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid of maatschappelijke participatie moeten worden vastgesteld. Dat geldt ook voor de alternatieven voor een psychiatrische hulphond. Alternatieven zijn: begeleiding (individueel of in groepsverband) maar ook behandelmogelijkheden op grond van de Zvw. Het ten volle benutten van behandelmogelijkheden valt binnen eigen kracht.[9] Voorafgaande aan, tijdens, maar ook ná een behandeltraject kan begeleiding op grond van de Wmo 2015 zijn aangewezen.[10] Ik stel me op het standpunt dat een deskundigenadvies altijd is aangewezen. Dit om, nadat de alternatieven zijn benut, vast te stellen of sprake is van zeer bijzondere omstandigheden. Gemeenten zijn gewaarschuwd. Is een onderzoek naar de vraag of werkelijk alle mogelijkheden zijn uitgeput door een verloop van tijd niet meer mogelijk, dan mag de aanvrager daar niet de dupe van worden.[11]
- Het college in de hier opgenomen uitspraak had een deskundigenadvies gevraagd. Daaruit bleek dat sprake was van ernstige en complexe problematiek maar ook dat er nog een aantal behandeltrajecten voor betrokkene gepland waren, waarmee naar verwachting de zelfredzaamheid en participatie zouden kunnen zijn bevorderd. De gemeente in kwestie heeft de aanvraag terecht afgewezen en dus geen gebruik gemaakt van de bevoegdheid om wel tot verstrekking over te gaan.
[1] CRvB 20 mei 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:618.
[2] CRvB 22 februari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:376, <<USZ>> 2024/110, CRvB 19 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1465, CRvB 19 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1467, <<USZ>> 2024/267, m.nt. I.M. Lunenburg.
[3] CRvB 31 mei 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1046, <<USZ>> 2023/221, m.nt. R. Imkamp.
[4] Kamerstukken II 2013/14, 33841, nr. 4, p. 31.
[5] CRvB 22 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1427 (eigen bijdrage hoortoestel), CRvB 31 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:241, <<USZ>> 2024/82 (eigen bijdrage haarstuk).
[6] CRvB 22 februari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:376, <<USZ>> 2024/110.
[7] Kamerstukken II 2022/23, 32805, nr. 169.
[8] Kamerstukken II 2023/24, 32805, nr. 174.
[9] Bijv. CRvB 28 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT7241, CRvB 16 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1444.
[10] Bijv. CRvB 5 juni 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:876, <<USZ>> 2025/209, m.nt. I.M. Lunenburg.
[11] CRvB 20 mei 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:620.
Yes, handgeschreven; zonder AI-:)
