Verschenen in USZ 2026/139
Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag om om drempelhulpen voor de berging. Terecht geoordeeld dat appellante haar vuilcontainers in de voortuin kan plaatsen in plaats van in de berging. Geen sprake van een beperking in de zelfredzaamheid als bedoeld in de Wmo 2015.
Noot I.M. Lunenburg
- Appellante is 89 jaar en heeft beperkingen in haar mobiliteit. Om na haar revalidatie in een woonzorgcentrum terug te kunnen keren naar haar woning heeft zij een aantal woonvoorzieningen aangevraagd. In de beslissing op het bezwaar worden een traplift en drempelhulpen bij de voor- en achterdeur verstrekt. Appellante had ook om drempelhulpen bij de berging verzocht. Daarin plaatst zij al 63 jaar de vuilcontainers. Maar deze worden door het college afgewezen op de grond dat appellante deze containers in de voortuin kan plaatsen. Kort gezegd: door dat te doen is er geen beperking in de zelfredzaamheid. In beroep krijgt het college gelijk en het bestreden besluit wordt door de CRvB bevestigd. In deze noot ga ik in op de vraag of het college mag verwachten dat een betrokkene er zelf voor zorgt dat zich geen te compenseren beperking in de zin van de Wmo 2015 voordoet.
- Om voor een maatwerkvoorziening in aanmerking te komen moet op de eerste plaats sprake zijn van een beperking in de zelfredzaamheid of participatie.[1] Is dat het geval, dan wordt ook beoordeeld of voorliggende oplossingen beschikbaar, geschikt en toereikend zijn zodat betrokkene voldoende zelfredzaam is en in staat is tot participatie (art. 1.2.1 onder a Wmo 2015). Dit volgens stap 4 van het hierbij gehanteerde stappenplan.[2] Eén van die oplossingen is de eigen kracht. Wat is eigen kracht? Uit de wetsgeschiedenis bij de Wmo 2015 blijkt het volgende. “Het gaat om dat wat binnen het vermogen van de betrokkene ligt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie te komen. De betrokkene zal zich in hoge mate moeten inspannen om dat aan te wenden wat binnen zijn eigen bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien.”[3] Zou hieruit niet geconcludeerd kunnen worden dat appellante (in de hier opgenomen uitspraak) over eigen kracht beschikt? Namelijk door de vuilcontainers in de voortuin te plaatsen in plaats van in de berging. Aan het bestreden besluit heeft het college echter ten grondslag gelegd dat appellante geen beperking heeft in de zelfredzaamheid op dat punt. Mag van appellante worden verwacht dat zij de containers in de voortuin zet?
- Volgens de CRvB is de omstandigheid dat appellante al 63 jaar haar vuilcontainers in de berging heeft staan niet bepalend bij het toekennen of weigeren van de gevraagde drempelhulpen. Is het plaatsen van vuilcontainers in de voortuin in strijd met gemeentelijke regels? Dit is door appellante wel gesteld, maar daarvan is niet gebleken. Zou dat wel het geval zijn dan zou appellante door het weigeren van drempelhulpen in de berging in strijd moeten handelen met andere regels. En dat is niet toegestaan, als dat kan worden voorkomen met het wel verstrekken daarvan.[4] Overigens is door appellante ook niet weersproken dat de buren de vuilcontainers in de voortuin plaatsen. Van appellante mag worden verwacht dat zij haar gewoonte om de vuilcontainers in de berging te plaatsen aanpast. Hiermee wordt voorkomen dat het college een maatwerkvoorziening moet verstrekken. De wetgever stond voor ogen dat betrokkenen zich in hoge mate moeten inspannen om dat aan te wenden wat binnen het eigen bereik ligt (zie punt 2). Dat roept de vraag op wat de reikwijdte is van zo’n inspanning.
- Allereerst moet vast komen te staan dat de beoogde inspanning van een betrokkene feitelijk mogelijk is en vervolgens of die kan worden verlangd. Dat was in de hier opgenomen uitspraak het geval. In de rechtspraak van de CRvB onder de Wmo en de Wmo 2015 zijn deze vragen vaker aan de orde geweest. Ik noem een aantal voorbeelden. Het gaat daarbij om betrokkenen die weliswaar beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie ondervonden maar door eigen inspanningen konden voorkomen dat het college gehouden was een maatwerkvoorziening te verstrekken. Het stallen van een scootmobiel in de hal of bijkeuken is een acceptabel alternatief voor het realiseren van een adequate stalling of het verbreden van een tuinpoort.[5] Van een betrokkene mag ook worden verwacht dat de woning zodanig wordt ingericht of heringericht zodat wordt voorkomen dat een woningaanpassing moet worden verstrekt. Bijvoorbeeld door de buitenberging te gebruiken voor de opslag van voorwerpen die slechts incidenteel nodig zijn.[6] Een aanvraag om een tweede traplift naar de zolder om de hometrainer te gebruiken kan worden afgewezen als het mogelijk is de hometrainer voor het gebruik te plaatsen in een ruimte op de eerste verdieping.[7] Het komt ook voor dat van een betrokkene mag worden verwacht dat materialen worden gebruikt en leefregels in acht worden genomen om zo zelf huishoudelijke taken te kunnen uitvoeren.[8]
- In zulke gevallen mag bij de besluitvorming een deskundigenadvies niet ontbreken. Want het gaat (doorgaans) om een medisch oordeel of een betrokkene daartoe wel in staat is. Uit de rechtspraak van de CRvB blijkt dat een betrokkene in die gevallen niet is aangewezen op huishoudelijke hulp.[9] Uit een deskundigenadvies kan weliswaar blijken dat betrokkene (lichamelijke) beperkingen ondervindt, maar dat de situatie niet zodanig is dat hiervoor een maatwerkvoorziening in de vorm van huishoudelijke hulp moet worden verstrekt. De medisch adviseur zal in aanmerking moeten nemen dat betrokkene gebruik kan maken van ergonomische hulpmiddelen en dat de werkzaamheden verdeeld over de week in rustig tempo kunnen worden verricht.
- Een opmerking tot slot. Het oordeel van de bestuursrechter is natuurlijk afhankelijk van de gronden die tegen het bestreden besluit zijn gericht. Het niet ondervinden van beperkingen zou (mede) gebaseerd kunnen zijn op het uitgangspunt van eigen kracht. Het zou mijn voorkeur hebben om in de besluitvorming te spreken van geen te compenseren beperkingen ondervinden in plaats van geen beperkingen ondervinden. Het college geeft daarmee namelijk te kennen dat het ondervinden van beperkingen, in het algemeen, niet wordt miskend.
[1] Bijv. CRvB 21 februari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:418, <<USZ>> 2024/109.
[2] CRvB 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819, <<USZ>> 2018/161 m.n.t. M.F. Vermaat, CRvB 8 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1430, <<USZ>> 2022/254 m.nt. C.W.C.A. Bruggeman.
[3] Kamerstukken II 2013/14, 33841, nr. 3, p. 27-28 en 144.
[4] Vgl. CRvB 16 november 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2441, CRvB 26 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1511, <<USZ>> 2024/251.
[5] CRvB 23 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1642, CRvB 6 augustus 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1168.
[6] Vgl. de uitspraken die op grond van de Wmo zijn gedaan: CRvB 1 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8290 en zie ook CRvB 27 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:429.
[7] Vgl. een uitspraak die op grond van de Wmo is gedaan: CRvB 15 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA0183.
[8] Zie 2 uitspraken onder voetnoot 9.
[9] Bijv. CRvB 18 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2272, CRvB 17 februari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:308.
Yes, handgeschreven; zonder AI-:)
