Annotatie USZ: de hardheidsclausule is in dit geval geen vangnet

CRVB:2026:282

Verschenen in USZ 2026/116

Inhoudsindicatie
Deze zaak gaat over de vraag of er in dit geval, waarin de gevraagde voorziening niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt, ruimte is voor toepassing van de in de gemeentelijke verordening opgenomen hardheidsclausule. Deze vraag beantwoordt de CRvB ontkennend, vernietigt daarom de aangevallen uitspraak en verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.

Noot I.M. Lunenburg

  1. De hier opgenomen uitspraak van de meervoudige kamer van de CRvB is jammer genoeg niet (heel) principieel van aard. In die zin of de door de betrokkene gevraagde voorziening binnen de reikwijdte van de Wmo 2015 valt. Op basis van het niet in geschil zijnde oordeel van de onderliggende rechtbankuitspraak geeft de CRvB slechts antwoord op de vraag wat in dit geval de juridische status is van de in de gemeentelijke verordening opgenomen hardheidsclausule. En of de rechtbank wel bevoegd was om zelf in de zaak te voorzien.
  2. Over wie gaat deze uitspraak en wat besluit het college? Betrokkene is een 16-jarige jongeman bekend met aandoeningen en stoornissen op grond waarvan bij beperkingen ondervindt. Hij is verhuisd van een bovenwoning naar een woning met een tuin. En voor het aanpassen van de tuin wordt een voorziening aangevraagd op grond van de Wmo 2015. Uit de uitspraak blijkt niet de aard van de voorziening. Het zou kunnen gaan om het plaatsen van schuttingen of het opheffen van niveauverschillen in de tuin. Het college heeft de aanvraag afgewezen en heeft dat besluit gehandhaafd in de beslissing op het bezwaar.
  3. Omdat het in dit geval niet kan gaan over huishoudelijke hulp, begeleiding of vervoer neem ik aan dat de gevraagde voorziening voor het aanpassen van de tuin door het college is aangemerkt als woonvoorziening. In de toepasselijke Verordening en de daarop gebaseerde nadere regels valt te lezen dat een normstellend kader wordt gehanteerd. De besluitvorming is daarop gebaseerd. En een aanpassing van de tuin valt er niet onder. Dit standpunt is door de rechtbank onderschreven. Partijen zijn het er ook over eens dat de gevraagde voorziening daarom buiten de reikwijdte van de Wmo 2015 valt. De rechtbank stelt wel vast dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het niet met toepassing van de hardheidsclausule is overgegaan tot verstrekking. De hardheidsclausule in art. 9.1 van de Verordening luidt als volgt: “het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt met een vastgestelde ondersteuningsbehoefte afwijken van de bepalingen van deze verordening, als toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.” De rechtbank ziet kennelijk ‘onbillijkheden van overwegende aard’ en voorziet zelf in de zaak door met toepassing van de hardheidsclausule te bepalen dat het college aan betrokkene een bedrag van € 5.498,18 moet verstrekken. Het college is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en stelt hoger beroep in.
  4. Het college heeft aangevoerd dat er in dit geval geen ruimte is voor toetsing aan en toepassing van de hardheidsclausule, omdat de gevraagde voorziening niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt. Immers daar waren partijen als ook de rechtbank het over eens. Voor zover dat anders is, heeft de rechtbank volgens het college een onjuiste, onvoldoende gemotiveerde beoordeling verricht en ten onrechte zelf in de zaak voorzien. Had de rechtbank op basis van de hardheidsclausule wel zelf kunnen voorzien in de zaak? Dat roept een vervolgvraag op. Wat is de juridische status van de hardheidsclausule? De meeste verordeningen als bedoeld in art. 2.1.3 lid 1 Wmo 2015 bevatten een hardheidsclausule die gelijkluidend is als beschreven onder punt 3. De gemeente in deze zaak heeft ter verduidelijking opgenomen dat sprake moet zijn van een vastgestelde ondersteuningsbehoefte. Ik denk dat zo’n toevoeging in de hardheidsclausule, strikt genomen, niet nodig is. Want de hardheidsclausule bepaalt ook dat het gaat om de toepassing van bepalingen in de verordening.
  5. De Wmo-verordening moet in ieder geval voorzien in bepalingen over hoe en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening (art. 2.1.3 lid 2 onder a Wmo 2015). Eenvoudig gezegd: onder welke voorwaarden komt een cliënt in aanmerking voor een (bepaalde) maatwerkvoorziening. Wanneer leidt toepassing van de verordeningsbepalingen tot onbillijkheden van overwegende aard? Een voorbeeld. De meeste verordeningen kennen de bepaling dat geen individuele vervoersvoorziening wordt verstrekt als op basis van de vervoersbehoefte van een cliënt een collectieve maatwerkvoorziening in de vorm van Aanvullend (individueel) Openbaar Vervoer een passende bijdrage biedt (art. 2.3.5 lid 3 Wmo 2015). Concreet betekent dit dat gemeenten geen bruikleenauto of (aangepaste) rolstoelbus hoeven te verstrekken. Er geldt een primaat, wat een verbijzondering inhoudt van de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening. Ook dat staat in de meeste verordeningen.
  6. Uit de rechtspraak blijkt dat bij de toepassing van dit primaat vaak een beroep wordt gedaan op de hardheidsclausule.[1] Ook blijkt dat het beroep op de hardheidsclausule zelden slaagt. Bij de toepassing van de hardheidsclausule gaat het om een uitzondering op de hoofdregel. En degene die een beroep doet op de uitzondering zal aannemelijk moeten maken dat daaraan wordt voldaan.[2] Rechtspraak waaruit blijkt dat met succes een beroep op de hardheidsclausule wordt gedaan is uiterst schaars; zie bijvoorbeeld een uitspraak van 22 december 2010.[3] In deze uitspraak waren er volgens de CRvB omstandigheden op grond waarvan het college niet had mogen vasthouden aan het primaat collectief vervoer. De CRvB nam met name in aanmerking dat: naast appellant ook zijn zuster gehandicapt is, de aangepaste bus waarin appellant en zijn zuster kunnen worden vervoerd al aanwezig is, appellant in de voornoemde bus verschoond kan worden, geen opsplitsing van het gezin behoeft plaats te vinden bij gezinsactiviteiten waarbij vervoer nodig is en de vervoersbehoefte van appellant gering is.
  7. Terug naar de kwestie. De CRvB overweegt dat het oordeel van de rechtbank dat de gevraagde voorziening niet valt onder de reikwijdte van de Wmo 2015 door partijen niet is bestreden. Daarom kan (moet) er in dit geval van worden uitgegaan dat de gevraagde voorziening niet kan worden aangemerkt als een maatwerkvoorziening ter compensatie van beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie als bedoeld in de Wmo 2015. Het gegeven dat de verordening voor de gevraagde voorziening uitsluitend regels bevat die geen verruiming bieden ten opzichte van (de reikwijdte van) de Wmo 2015 is van belang. Het gaat om de uitwerking van de opdracht in art. 2.1.3 lid 1 Wmo 2015; de verordening is een wet in materiële zin (zie ook onder punt 5). En de inhoudelijke bepaling van de hardheidsclausule is volgens de CRvB niet bedoeld om de wettelijke reikwijdte van de Wmo 2015 te wijzigen. Dit leidt de CRvB ook af uit de tekst van de hardheidsclausule (zie onder punt 4). De rechtbank heeft de gevraagde voorziening niet kunnen verstrekken met toepassing van de hardheidsclausule. De bepaling is in dit geval niet geschreven om een vangnet te bieden voor de gevraagde voorziening. Ik ben benieuwd of we ooit nog eens een zaak tegenkomen waarin wel in geschil is of de hier gevraagde maatwerkvoorziening binnen de reikwijdte van de Wmo 2015 valt. In dat geval zal de CRvB zich moeten uitlaten over de wijze waarop invulling is gegeven aan de verordenende bevoegdheid in de zin van art. 2.1.3 lid 1 Wmo 2015.

[1] Bijv. CRvB 7 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:398, <<USZ>> 2018/103, CRvB 17 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1330.
[2] Bijv. CRvB 10 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3152.
[3] CRvB 22 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BP0007.

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies

Yes, handgeschreven; zonder AI-:)

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*