Annotatie USZ: herhaalde aanvraag om pgb

CRVB:2026:46

Verschenen in USZ 2026/65

Noot I.M. Lunenburg

  1. Geschillen over het persoonsgebonden budget (pgb) komen nog steeds met regelmaat voor. In de hier opgenomen uitspraak oordeelt de enkelvoudige kamer van de CRvB over de vraag of het college bevoegd was het pgb te weigeren onder toepassing van art. 2.3.6 lid 5 onder b Wmo 2015. Appellante was eerder al bij de meervoudige kamer van de CRvB. Deze uitspraak houdt daarmee rechtstreeks verband en is interssant omdat de CRvB, bij mijn weten, voor het eerst oordeelt over deze specifieke weigeringsgrond (art. 2.3.5 lid 5 onder b Wmo 2015). Deze grondslag kan alleen worden toegepast onder verwijzing naar eerdere besluitvorming. In deze noot ga ik in op de vraag wanneer het college in redelijkheid gebruik kan maken van de bevoegdheid.
  2. Waar gaat het om? Appellante ondervindt beperkingen in haar persoonlijk functioneren. Om die reden is eerder aan haar een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb verstrekt. Dat toekenningsbesluit heeft het college ingetrokken (art. 2.3.10 lid 1 onder d Wmo 2015). Dit op de grond dat appellante en haar pgb-vertegenwoordiger niet in staat zijn de aan het pgb verbonden taken goed te verrichten (art. 2.3.6 lid 2 onder c Wmo 2015). Er was binnen de looptijd van de indicatie namelijk niet gedeclareerd. Dat werd pas gedaan nadat het college het pgb-besluit had ingetrokken. De CRvB heeft de aangevallen uitspraak bevestigd.[1] Vanaf de datum waarop het college het pgb-besluit heeft ingetrokken had appellante de mogelijkheid om de maatwerkvoorziening in natura te krijgen. Daar heeft zij kennelijk geen gebruik van gemaakt, want ruim een week voordat de CRvB de hiervoor aangehaalde uitspraak heeft gedaan, meldt zij zich opnieuw bij het college. Zij vraagt weer een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb aan, met dezelfde pgb-vertegenwoordiger. Het college weigert het pgb en handhaaft dat besluit in de beslissing op bezwaar (art. 2.3.6 lid 5 onder b Wmo 2015). Daaraan ligt ten grondslag dat appellante niet in aanmerking komt voor een pgb, omdat er herhaaldelijk sprake is geweest van onverantwoord pgb-beheer en zij niet over voldoende regievermogen beschikt om een verantwoorde pgb-vertegenwoordiger te kiezen. Appellante kan volgens het college enkel gebruik maken van een maatwerkvoorziening in natura. Omdat zij dat niet wil, wordt de aanvraag daartoe (ook) afgewezen. De rechtbank heeft het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard vanweg het ontbreken van procesbelang. Ten onrechte, volgens de CRvB, maar dat laat ik in deze noot verder onbesproken.
  3. Was het college bevoegd de pgb-aanvraag te weigeren? Er is in ieder geval voldaan aan de toepassingsvoorwaarde van art. 2.3.6 lid 5 onder b Wmo 2015. Namelijk dat het toekenningsbesluit van de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb is ingetrokken onder toepassing van (in dit geval) art. 2.3.10 lid 1 onder d Wmo 2015 (zie onder punt 2). Het gaat bij deze weigeringsgrond wel om een discretionaire bevoegdheid. Het is een kan-bepaling, dus geen verplichting voor het college. Als ik de uitspraak goed begrijp zal een betrokkene bij een zogeheten ‘tweede pgb-aanvraag’[2] aannemelijk moeten maken dat nu wel wordt voldaan aan de voorwaarden van art. 2.3.6 lid 2 en 3 Wmo 2015.[3] Dit naar analogie van art. 4:6 Awb. Doen zich bij zo’n tweede aanvraag nog steeds feiten en omstandigheden voor die aanleiding waren voor het college om het pgb-besluit in te trekken, dan kan in redelijkheid gebruik worden gemaakt van de bevoegdheid van art. 2.3.6 lid 5 onder b Wmo 2015. Een verkorte procedure voor het college en geen indringende toets van de bestuursrechter aan het evenredigheidsbeginsel. Appellante heeft haar pgb-aanvraag (tegen beter weten in) gedaan met dezelfde pgb-vertegenwoordiger. Zou zij een andere pgb-vertegenwoordiger hebben gehad, dan had het college moeten beoordelen of wordt voldaan aan de voorwaarden van art. 2.3.6 lid 2 onder a en c Wmo 2015.

[1] CRvB 16 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2036, <<USZ>> 2024/341.

[2] Na een eerdere inhoudelijke weigering.

[3] Vgl. CRvB 17 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:459.

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies

Yes, handgeschreven; zonder AI-:)

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*