Overzicht interessante jurisprudentie

In deze blog update een selectie interessante uitspraken die op grond van de Wmo 2015 zijn gedaan.

VN-Gehandicaptenverdrag geen rechtstreekse werking
CRVB:2020:3146. Art. 28 van het VN-Gehandicaptenverdrag bevat geen norm die door de rechter rechtstreeks als toetsingsmaatstaf voor besluiten toepasbaar is aangezien deze bepaling niet onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig een te bereiken resultaat voorschrijft, en daarom in de nationale rechtsorde niet zonder meer als objectief recht kan worden toegepast. De stelling dat het VN-Gehandicaptenverdrag een intentieverdrag is en dat getoetst moet worden aan het hele verdrag, blijft buiten bespreking nu appellant deze stelling onvoldoende heeft geconcretiseerd.

Bestuursrechter benoemd deskundige; geen compensatieplicht
CRVB:2020:3471. Appellant ervaart door overgevoeligheid voor elektromagnetische straling (EHS) en chemische stoffen (MCS) verschillende gezondheidsklachten. Hij woont alleen en zelfstandig in een eengezinswoning en dient een aanvraag in voor een maatwerkvoorziening in de vorm van diverse woningaanpassingen. Het college wijst de aanvraag af en baseert zich daarbij op een (extern) advies. Het onderzoek van de adviseur is echter ten onrechte beperkt gebleven tot de vraag of bij appellant sprake is van aantoonbare medische beperkingen op grond van ziekte of gebrek. Daardoor heeft het college een onjuiste maatstaf aangelegd (vergelijk CRVB:2010:BO5997). Immers is niet beoordeeld of appellant beperkingen ondervindt in zijn zelfredzaamheid doordat hij, zoals hij stelt, zijn woning niet op een normale manier kan gebruiken. Evenmin is beoordeeld of de gestelde beperkingen voortkomen uit andere oorzaken. Het bestreden besluit is daarom onvoldoende zorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd.

Rechtsgevolgen in stand
De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten omdat een compensatieplicht op grond van de Wmo 2015 ontbreekt (RBGEL:2019:2968). De door de rechtbank benoemde deskundige (psychiater) heeft onafhankelijk onderzoek gedaan naar de klachten van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen in zijn zelfredzaamheid en/of participatie in het maatschappelijke verkeer. Wat eiser, volgens de rechtbank, met de onderhavige aanvraag wil bereiken zijn woningaanpassingen door elektromagnetische straling werende en chemische stoffen werende materialen aan te brengen in zijn woning. Dit lijken vrij ingrijpende maatregelen.

Het advies
Uit het advies van de deskundige blijkt dat er bij eiser inderdaad beperkingen zijn in de participatie voortkomend uit DSM-5 problematiek (een somatisch symptoomstoornis). Volgens de deskundige heeft eiser meerdere lichamelijke klachten waar hij onder lijdt en die voor hem het dagelijks leven in significante mate verstoren. Daarnaast heeft hij disproportionele en persisterende gedachten over de ernst van zijn klachten en besteedt hij excessief veel tijd en energie aan zijn klachten en aan de zorgen over zijn gezondheid. Hierdoor is eiser volgens de onderzoeker beperkt in het sociaal functioneren in het dagelijks leven. In zoverre valt eiser dus binnen de reikwijdte van de Wmo 2015.

Geen beperkingen in de zelfredzaamheid, wel in de participatie
Echter, participeren gaat om deelnemen aan het maatschappelijk verkeer. De door eiser gewenste aanpassingen van de woning vallen naar het oordeel van de rechtbank niet onder participatie en kunnen dus op deze grond niet aan hem worden verstrekt vanuit de Wmo 2015. Volgens de deskundige heeft eiser geen beperkingen in de zelfredzaamheid. Zij vindt dat eiser zonder verdere ondersteuning, met de reeds door hem getroffen maatregelen, redelijk kan functioneren in zijn woning. Hierdoor ziet de rechtbank ook vanuit het oogpunt van zelfredzaamheid geen aanknopingspunten voor toekenning van de door eiser gewenste woningaanpassingen vanuit de Wmo 2015.

Hoger beroep
De Raad overweegt dat als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde, deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt (bijv. CRVB:2018:1467). Deze situatie doet zich hier voor. De door de deskundige gebezigde motivering is overtuigend. Het uitgebrachte rapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Ook anderszins zijn geen omstandigheden naar voren gekomen die aanleiding geven het rapport niet te volgen.
Anders dan appellant betoogt is niet gebleken dat de conclusie van de deskundige onnavolgbaar is. De stelling van de deskundige, dat sprake is van een potentieel gevaar voor zelfverwaarlozing en gevaar voor de gezondheid doordat appellant zijn huis niet verwarmt, waar hij echter tot nu toe adequaat mee omgaat, is niet inconsistent. De deskundige acht appellant op basis van zijn adequate omgang met de problemen, met inachtneming van zijn klachten, in staat om zonder verdere ondersteuning thuis te functioneren. Appellant motiveert verder niet waarom hij niet in staat zou zijn om te gaan met de situatie in zijn woning zodat er geen aanknopingspunten zijn om de verklaring van de deskundige op dit punt niet te volgen.

Overige uitspraak elektromagnetische velden
CRVB:2019:2909. Afwijzing aanvraag om speciale gordijnen, speciale verf voor het plafond van de slaapkamer en een aardpin, om de woning af te schermen tegen elektromagnetische velden afkomstig van een zendmast op de kerktoren nabij de woning. Mede op basis van (extern) advies stelt het college zich terecht op het standpunt dat appellante de beperkingen die zij in haar dagelijks functioneren ondervindt niet (medisch) heeft geobjectiveerd en er geen noodzaak is voor de gevraagde voorzieningen. Appellante overlegt ook in hoger beroep geen medische informatie waarmee is onderbouwd dat de medisch adviseur de situatie in de periode hier in geding onjuist heeft ingeschat. Uit de overgelegde stukken volgt dat appellante haar klachten toeschrijft aan EMV, maar dat er tot op heden geen betrouwbare test is die dit vermoeden met zekerheid kan bevestigen.

Ten onrechte ingebrekestelling
CRVB:2020:3078. Met het in hoger beroep overleggen van een print van mailverkeer is aannemelijk dat verzoeker zijn behoefte aan ondersteuning op 6 maart 2020 kenbaar heeft gemaakt. Niet is gebleken dat verzoeker na het verstrijken van de termijn van zes weken een aanvraag heeft ingediend bij ROGplus, eerder dan de aanvraag van 7 mei 2020. Dit betekent dat verzoeker ROGplus op 1 mei 2020 ten onrechte in gebreke heeft gesteld. Met het oog hierop en het bepaalde in art. 6:12 lid 2 Awb kon verzoeker op 15 mei 2020 geen beroep instellen.

Overige uitspraak melding-aanvraag
CRVB:2020:2007. Zoals eerder overwogen in de uitspraak CRVB:2017:283, is er geen sprake van het op grond van art. 6:2 aanhef en onder b Awb met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit, indien geen aanvraag is ingediend. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat dit betekent dat geen beroep kon worden ingesteld (art. 8:1 lid 1 Awb). Appellant voert in hoger beroep wederom aan dat de melding van 15 december 2017 wel degelijk als aanvraag moet worden aangemerkt, omdat hij dit zo bedoeld heeft en bovendien hierin bevestiging heeft gevonden in de e-mail van een medewerker van het college van 14 maart 2018 waarin wordt gesproken van een aanvraag en niet van een melding. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat deze grond niet slaagt. De overwegingen van de rechtbank worden volledig onderschreven.

Geen gebruik kunnen maken van regiotaxi niet aannemelijk gemaakt
CRVB:2020:2154. Afwijzing bruikleenauto. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank. De rechtbank oordeelt dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat er geen noodzaak is voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een bruikleenauto is. Appellant moet medisch gezien in staat worden geacht te reizen met het individuele vervoer van de regiotaxi, met begeleiding van zijn ouder(s), ondanks zijn gedragsproblemen.
De door appellant in beroep ingediende informatie van zijn huisarts(en), revalidatiearts en behandelaar op de dagopvang bieden onvoldoende grond voor twijfel aan de juistheid van de conclusie van de medisch adviseur dat er geen medische noodzaak bestaat voor een bruikleenauto. Uit de verklaringen van [naam arts] en [naam behandelaar dagopvang] komt naar voren dat er sprake is van gedragsproblemen bij regulier taxivervoer met onbekende personen, maar daaruit blijkt niet dat dergelijke problemen zich in ernstige mate ook zullen voordoen als er sprake is van individueel vervoer met begeleiding door een bekend persoon.
Appellant heeft zijn standpunt dat hij met begeleiding geen gebruik kan maken van de regiotaxi dan ook niet aannemelijk gemaakt.

Omvang begeleiding 

  • CRVB:2020:3234. Anders dan appellant stelt, heeft het college het medisch advies van Argonaut niet aan de besluitvorming ten grondslag gelegd. Het college heeft appellant zowel per brief als per e-mail meegedeeld dit advies onzorgvuldig te achten en een nieuw advies bij een andere organisatie te zullen opvragen. Tussen partijen is niet in geschil dat in dit nieuwe advies van Opdidakt de beperkingen van appellant juist zijn weergegeven. De hoger beroepsgrond slaagt niet. In het leefzorgplan heeft het college toegelicht dat de maatwerkvoorziening individuele begeleiding van appellant bestaat uit drie keer tien minuten per dag voor dagelijkse sturing (210 minuten per week), 15 minuten per dag voor onvoorziene omstandigheden (cumulatief te gebruiken; 105 minuten per week) en 15 minuten per dag voor hulp bij de administratie/financiën/ overzicht (cumulatief te gebruiken; 105 minuten per week). Het aantal uren begeleiding per week komt aldus nagenoeg overeen met wat op grond van de AWBZ voor begeleiding individueel was geïndiceerd. Appellant maakt niet met een inzichtelijke onderbouwing aannemelijk dat de verstrekte zeven uur begeleiding per week in de periode in geding niet aansloot bij de zorgbehoefte. De reactie van de moeder van appellant op het leefzorgplan, de algemene stelling in het advies van Triage dat de gestelde zorgbehoefte groter is dan de huidige toekenning en de verklaring ter zitting dat het met een pgb voor 9,9 uur begeleiding beter ging met appellant zijn daarvoor onvoldoende concreet. De hoger beroepsgrond slaagt niet.
  • CRVB:2020:2964. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding is voor twijfel aan de bevindingen en conclusies van de adviseur, dat het college het advies aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen en dat het terecht heeft volstaan met de verstrekking van een maatwerkvoorziening gespecialiseerde begeleiding van 6,5 uur per week.

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*