Kan het bezoekbaar maken van een woning een maatwerkvoorziening zijn?

In mijn werkpraktijk komen (beleids)vragen van uiteenlopende aard aan bod. Eén daarvan gaat over het volgende.
Kan het bezoekbaar van de woning een verplicht te bieden maatwerkvoorziening zijn? En, moet daarbij verschil worden gemaakt tussen personen die wel of geen indicatie hebben op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz).

Studiedag Maatwerkvoorziening met juridische en menselijk maat
Op 12 april staat deze Studiedag gepland in Eindhoven. Wil je met vakgenoten en twee docenten mee discussiëren over de Wmo 2015? Schrijf je dan in! Voorafgaande aan de Studiedag ontvang je interessante casuïstiek gebaseerd op de rechtspraak en openstaande vraagstukken.

Een kort vooraf
Er zijn bij mij niet veel gemeentelijke verordeningen bekend waarin deze maatwerkvoorziening of tenminste de essentialia daarvan zijn opgenomen. Dat neemt overigens niet weg dat het college toch compensatieplichtig is of kan zijn. Alvorens in te gaan op de vraag neem ik je kort mee naar het verleden. Waar komt ‘het bezoekbaar maken van de woning’ eigenlijk vandaan?

Achtergrond
Bepalingen over het bezoekbaar maken van de woning waren doorgaans opgenomen in gemeentelijke verordeningen op grond van de Wet Voorzieningen Gehandicapten (WVG). De bepaling was specifiek bestemd voor verzekerden die op grond van de AWBZ in een instelling verbleven.1 Aanleiding voor een dergelijke bepaling is dat deze groep verzekerden op grond van art. 2 lid 2 WVG waren uitgesloten van het recht op voorzieningen.2

Inhoudelijke bepaling
Het verlenen van voorzieningen om de woning bezoekbaar te maken was in de meeste gemeentelijke verordening echter niet begrensd tot de toegang van de woning en het kunnen bereiken van (meestal alleen) de woonkamer. Ook kende de bepaling vaak ook nog het kunnen bereiken of zelfs gebruiken van het toilet. In sommige gemeentelijke verordeningen was voorzien dat de woning ook logeerbaar kon worden gemaakt. Een verzoek daartoe – zonder dat het gemeentelijk beleid daarin voorziet – blijkt niet succesvol (zie CRVB:1998:ZB7780). In deze uitspraak voegt de Raad – strikt genomen ten overvloede – hieraan toe oog te hebben voor de betekenis van het logeerbaar maken van de woning in relatie tot de wens van betrokkene om weekenden, feestdagen en (delen van) vakanties bij zijn moeder en haar partner door te brengen. Als sprake is van een groot maatschappelijk probleem dat betrokkene en anderen in soortgelijke omstandigheden treft, dan is het evenwel niet aan de rechter, maar aan de wetgever om hierin – zo mogelijk – te voorzien.

Welke gemeente verleend?
Verder was in de meeste verordeningen bepaald dat de gemeente van de bezoekbaar te maken woning verantwoordelijk was voor het verlenen van de betreffende voorziening(en). Dat is op zichzelf genomen bijzonder omdat de bij verordening opgenomen ‘zorgplicht’ op grond van de WVG zich op deze manier ook uitstrekt tot niet in de gemeente woonachtige gehandicapten. Wat was het idee hierachter? Er wordt voorkomen dat gemeenten met veel instellingen binnen de gemeentegrenzen onevenredig zwaar belast zouden worden met de uitvoering maar ook qua financiën. Denk in dat kader vooral aan de aan te passen woningen die meestal niet in de gemeente zelf zijn gelegen (zie bijv. RBSGR:2011:BQ1540).

Buitenwettelijk begunstigd beleid
Uit het vorengaande volgt dat bepalingen over het bezoekbaar van de woning – bestemd voor de verzekerden als bedoeld in art. 2 lid 2 WVG – als buitenwettelijk begunstigend beleid moet worden gekwalificeerd. Dat wil zeggen dat het college slechts gehouden is aan het geformuleerde beleid. Buitenwettelijk begunstigd beleid wordt door de bestuursrechter als gegeven aanvaard en wordt terughoudend getoetst (CRVB:2014:2639). Dat wil zeggen dat slechts wordt beoordeeld of het college het beleid in de besluitvorming consistent heeft toegepast (zie bijv. CRVB:1999:ZB8168 en CRVB:1998:ZB8030). Dergelijk beleid schept nadrukkelijk geen verplichting om de hardheidsclausule toe te passen, zie voornoemde uitspraken en vergelijk CRVB:2012:BV0744.3

Compensatieplicht Wmo 2015
Valt het bezoekbaar maken van de woning binnen de reikwijdte van compensatieplicht als bedoeld in art. 2.3.5 lid 3 Wmo 2015? Ingeval van een verzekerde die verblijft in een instelling op grond van de Wlz zal het in de Wmo 2015 – net als onder de WVG – meestal gaan om kinderen4 die hun ouders en/of broers/zussen willen bezoeken of de partner die bij de nog ‘thuiswonende’ partner op bezoek wil gaan.

Laten we beginnen bij het begin.

Welke maatwerkvoorzieningen?
Onder het bezoekbaar maken van de woning kan een woningaanpassing of een hulpmiddel zijn begrepen.5 Een hulpmiddel is een roerende zaak. Daarvan kan gezegd worden dat deze kan worden toegekend en ook weer (eenvoudig) kan worden ingenomen als daar aanleiding voor is. Dat is bij een woningaanpassing niet het geval omdat deze ‘aard en nagelvast’ is.

Hoofdverblijf
Uit art. 1.2.1 onder a Wmo 2015 volgt in ieder geval dat het verlenen van maatwerkvoorzieningen6 bestemd is voor personen die in de gemeente woonachtig zijn.7 Zij moeten dus hun hoofdverblijf hebben (of krijgen door te verhuizen) in de gemeente waar zij zich bij het college melden met een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning en het eventuele voornemen een aanvraag om een maatwerkvoorziening in te willen dienen (vergelijk CRVB:2010:BO0285). Dat wil dus zeggen dat de instelling op grond van de Wlz, waar de verzekerde zijn hoofdverblijf heeft, in de betreffende gemeente moet zijn gelegen. Daarmee is nog niet gezegd dat het college verplicht is aan hen de hier bedoelde maatwerkvoorziening te verlenen (zie verder hierna).

Inschrijving BRP
In het algemeen is het zo dat betrokkene op het adres in de Basisregistratie personen (BRP) staat ingeschreven waar hij ook daadwerkelijk zijn hoofdverblijf heeft. Dat brengt overigens ook nog mee dat de te innen bijdrage in de kosten door het CAK wordt overgemaakt aan de gemeente waar betrokkene in de BRP staat ingeschreven en niet aan de gemeente die de maatwerkvoorziening op grond van het buitenwettelijk begunstigend beleid feitelijk heeft verleend.

Afwijken van de hoofdregel?
Als het hoofdverblijf van betrokkene niet in de gemeente is gelegen en het beleid bepaalt dat er toch maatwerkvoorzieningen verleend (kunnen) worden, dan moet dat als buitenwettelijk begunstigend beleid worden gekwalificeerd. Met dergelijk beleid wordt de compensatieplicht overgenomen van de gemeente op wie de compensatieplicht feitelijk rust. Dat is – gelet op art. 1.2.1 onder a Wmo 2015 – jegens het college van de gemeente waar betrokkene feitelijk zijn hoofdverblijf heeft.

Hoofdverblijf in de aan te passen woning
Verder is het zo dat het vorenstaande ook meebrengt dat een woningaanpassing in het algemeen wordt getroffen aan de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben8. De vraag is of het college voor het bezoekbaar maken van een woning in individuele gevallen moet afwijken van deze hoofdregel.

Geen generieke weigeringsgrond
De Wmo 2015 kent – in tegenstelling tot de WVG – geen generieke weigeringsgrond. Ook niet voor verzekerden die hun Wlz-indicatie verzilveren in een instelling. De vraag is of de Wmo 2015 voor hen een aanvullende werking heeft.

Weigeren maatwerkvoorziening
Art. 2.3.5 lid 6 Wmo 2015 voorziet in een weigeringsgrond (in de vorm van een kan-bepaling) als de client een Wlz-indicatie heeft dan wel kan verkrijgen maar – eenvoudig gezegd – weigert daarvoor een aanvraag in te dienen bij het CIZ. Voor bepaalde maatwerkvoorzieningen geldt overgangsrecht (art. 8.6a Wmo 2015, zie schema). Het overgangsrecht is overigens niet van toepassing op verzekerden die in een Wlz-instelling verblijven en een aanvraag doen voor het bezoekbaar maken van een woning.

Toepassing weigeringsgrond
Met de kan-bepaling van art. 2.3.5 lid 6 Wmo 2015 heeft de wetgever niet bedoeld dat betrokkenen zelf kunnen kiezen binnen welk stelsel zij wensen te vallen. Vanwege het ontbreken van een generieke weigeringsgrond zal het college  in voorkomende gevallen aan de client een maatwerkvoorziening moeten verlenen tot de Wlz-indicatie van kracht wordt (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 36, TK 2013/14, 33 841, nr. 34, p. 33 en EK 2013/14, 33 841, G, p. 24). Vaak zal er tot die tijd ook persoonlijke verzorging en verpleging nodig zijn op grond van Zorgverzekeringswet (art. 2.10 Bzv).

Uitsluitende stelsels?
Behoudens het overgangsrecht kan worden aangenomen dat de wetgever blijkens de tekst van art. 2.3.5 lid 6 Wmo 2015, bezien in samenhang met de toelichting daarop, een uitdrukkelijke scheiding heeft willen aanbrengen tussen aanspraken op maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 2015 en aanspraken op grond van de Wlz. Uit de MvT op de Wlz kan ook worden afgeleid dat wanneer aanspraak kan worden gemaakt op een Wlz-indicatie er geen aanspraak meer kan worden gemaakt op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 (TK 2013/14, 33891, nr. 3, p. 70). Dat is in ieder geval het standpunt van de Rechtbank Overijssel (RBOVE:2017:4078).

Amendement Wlz
Uit het oorspronkelijk wetsvoorstel blijkt dat de wetgever uitgaat van het verblijf in een instelling als (enige) leveringsvorm. Echter bij amendement nr. 153 is het oorspronkelijk wetsvoorstel Wlz gewijzigd met dien verstande dat verzekerden zo veel en zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen, ook als zij behoefte hebben aan langdurige en intensieve zorg. Met dit amendement wordt de mogelijkheid gecreëerd dat mensen onder bepaalde omstandigheden thuis kunnen blijven wonen, ook als dat duurder is dan verblijf in een instelling. Het amendement beoogt de Wlz op dit punt in overeenstemming te brengen met de manier waarop in de AWBZ voor bepaalde groepen “enige ondoelmatigheid” is toegestaan. Voorkomen wordt dat kinderen, jongvolwassenen en mensen in andere specifieke situaties in de Wlz alsnog verplicht in een intramurale instelling moeten gaan verblijven omdat hun zorg thuis duurder is dan verblijf in een instelling. Het amendement voorziet in de volgende cliëntsituaties:

  • kinderen en jongvolwassen die de mogelijkheid moeten kunnen krijgen om thuis op te groeien
  • ouders die de mogelijkheid moeten kunnen krijgen om deel uit te maken van een opgroeiend gezin
  • mensen die vanuit een thuissituatie de mogelijkheid moeten kunnen krijgen tot ontwikkeling en ontplooiing in de vorm van opleiding en betaald werk
  • cliëntsituaties waar sprake is van een continue acute levensdreiging (bijv. thuisbeademing) waarbij de mogelijkheid van zorg in de thuissituatie een positief effect heeft op de ervaren kwaliteit van leven

Geen aanvullende werking
Op basis van de parlementaire geschiedenis (Wmo 2015 en Wlz) stel ik me vooralsnog op het standpunt dat het – behoudens het overgangsrecht als bedoeld in art. 8.6a Wmo 2015 – om uitsluitende stelsels gaat. Althans voor zover dit de maatwerkvoorzieningen betreft. De overgangsrechtelijke bepalingen voorzien namelijk in een limitatief aantal maatwerkvoorzieningen (zie schema). Dat wil zeggen dat de Wmo 2015 in andere gevallen geen aanvullende werking heeft voor verzekerden met een indicatie op grond van de Wlz.9 Dit ongeacht de leveringsvorm. Daarbij wijs ik ook op reactie van voormalig staatssecretaris Van Rijn over de klaarblijkelijke omissie over wat de reikwijdte is van het schoonhouden van de woonruimte (Wlz) ten opzichte van hulp bij het huishouden (Wmo 2015). Het is volgens de voormalig staatssecretaris niet de bedoeling geweest om daar onderscheid in te willen aanbrengen. Dat wil zeggen dat de Wmo 2015 geen aanvullende werking heeft ingeval de verzekerde is aangewezen op hulp bij het huishouden. Daarvoor wordt de wetgeving nog aangepast.10
Tot slot merk ik op dat verzekerden met een Wlz-indicatie zonder problemen gebruik kunnen maken van algemene voorzieningen op grond van de Wmo 2015 (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 43 en 71). Daarbij heeft de wetgever ook voor ogen gehad dat bijvoorbeeld het sociaal vervoer als algemene voorziening moet worden gekwalificeerd. En dat is nu juist bij de zogeheten Regiotaxi meestal niet zo (zie CRVB:2017:2649 en CRVB:2009:BK3321). Daarmee is de verzekerde met een Wlz-indicatie afhankelijk van het college van de gemeente waar hij zijn woonplaats heeft. Algemene voorzieningen worden namelijk bevorderd dan wel getroffen door het college (art. 2.2.3 Wmo 2015). Dat wil zeggen ze zijn er wel of ze zijn er niet. Is er geen algemene voorziening voor sociaal vervoer beschikbaar, dan wordt daarmee miskend dat deze verzekerden een behoefte (kunnen) hebben aan sociaal vervoer. Dergelijk vervoer valt niet onder het verzekerde pakket van de Wlz11 en sociaal vervoer is qua aard een voorziening die thuishoort in de Wmo 2015 (TK 2013/14, 33 891, nr. 3, p. 71).

Bij mij zijn thans nog geen (andere) uitspraken bekend over de strikte ‘afbakening’ tussen de Wmo 2015 en de Wlz.

Geen Wlz-indicatie
Het kan natuurlijk ook voor komen dat een cliënt (zonder Wlz-indicatie) die zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente en een aanvraag indient om het bezoekbaar maken van een woning. Nu daaronder een woningaanpassing of een hulpmiddel kan worden verstaan, kan het bezoekbaar van een woning niet worden uitgesloten.
Onderzoek na de melding zal wel moeten uitwijzen of de cliënt, gelet op zijn beperkingen in diens zelfredzaamheid en participatie, is aangewezen op deze maatwerkvoorziening. Ik meen dat daar in het algemeen niet snel sprake van zal zijn.
Als algemeen uitgangspunt kan gelden dat de te bezoeken personen ook bij de betrokkene in kwestie op bezoek kunnen gaan of er gezamenlijk op uit kunnen trekken. Dit laatste mogelijk met behulp van een vervoersvoorziening. Alleen als dat niet mogelijk is én de cliënt gelet op zijn beperkingen is aangewezen op het  sociale contact met die personen, dan zou dat anders kunnen zijn. Hieruit volgt ook het belang om daarover regels op te nemen in de verordening (essentialia van het voorzieningenpakket).

Studiedag Maatwerkvoorziening met juridische en menselijk maat
Op 12 april staat deze Studiedag gepland in Eindhoven. Will je met vakgenoten mee discussiëren over de Wmo 2015? Schrijf je dan in!

©Ingeborg Lunenburg opleiding + advies


  1. met een indicatie voor langdurig verblijf 

  2. een heuse generieke weigeringsgrond dus. Op grond van de Regeling sociaal vervoer AWBZ-instellingen kon wel een vervoersvoorziening en/of een rolstoel worden verleend. 

  3. deze uitspraak gaat over de inherente afwijkingsbevoegdheid in geval van beleidsregels op grond van art. 4:84 Awb 

  4. ongeacht hun leeftijd 

  5. zie definities in art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015 

  6. niet zijnde beschermd wonen of opvang, zie onder b en c van art. 1.2.1 Wmo 2015 

  7. de wet spreekt over ingezetenen 

  8. geadviseerd wordt overigens dat in de verordening op te nemen 

  9. of deze kunnen verkrijgen 

  10. zie ook de interessante toelichting van de Nza beleidsregel in dat kader. Daarbij valt op dat de wasverzorging ontbreekt 

  11. art. 3.1.1 Wlz 

Een gedachte over “Kan het bezoekbaar maken van een woning een maatwerkvoorziening zijn?

  1. Pingback: Mantelzorg, een domeinoverschrijdend begrip? – Uitvoering Wmo 2015

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*